- Art Gallery -

 

.

Zes maanden op Cuba.—Havanna.

Naar het Fransch van
Charles Berchon.

Een interieur te Havanna.

Een interieur te Havanna.

Ik ben verrukt over het land, dat ik thans heb leeren kennen, Cuba, het grootste en schoonste eiland der Antillen, met zijn weldoenden zonneschijn en zijn heerlijken blauwen hemel.

Ik kwam er aan op een helderen Decembermorgen, met de uitstekend ingerichte amerikaansche stoomboot, de Mexico, die het anker wierp in een baai van omstreeks drie mijlen in omtrek, waarvan de ééne, drassige, oever een diepen inham vormt, tot waar een lage heuvelreeks oprijst, terwijl de andere, waarop de stad Havanna is gelegen, in de baai vooruitsteekt als een sierlijk afgeronde kaap. Wat men het eerst bespeurt van Cuba’s hoofdstad, zijn groote, verspreide gebouwen, waartusschen, tegen den langzaam stijgenden achtergrond, een ontelbare menigte huizen zijn saamgedrongen, allen van een zelfde geelachtige kleur. Dat eentonig effen vlak wordt door rechte lijnen van straten in ruiten verdeeld, ’t geen de stad op een reusachtig dambord doet gelijken.

De eerste wandeling door de stad was alles behalve aangenaam.

Uit het keurige douanenkantoor kwamen wij in een nauwe straat, tusschen hooge gebouwen ingesloten, als een rotskloof tusschen steile bergwanden. Het midden werd ingenomen door zware vrachtwagens, met muildieren bespannen, huurrijtuigen, en een soort van verhuiswagens, die als omnibussen dienst deden en die, door hun ongeregelden en slingerenden gang, voor de passagiers zoowel als de voorbijgangers bepaald gevaarlijk mochten heeten. En als men zich voor die onberekenbare gevaarten wilde in veiligheid brengen, was er geen andere toevlucht dan een trottoir van hoogstens 40 c.M. breedte, waarop de voorbijgangers voortdurend tegen elkander aanbonsden en ieder, die niet even behendig of brutaal, was als zijzelf, eenvoudig op de straat duwden, of letterlijk tegen den muur platdrukten. Men moest dus maar van twee kwaden het beste kiezen; [146]óf zich laten stompen door de onwellevende voorbijgangers, óf gevaar loopen, te worden overreden, en daarbij door een dikke laag slijk baggeren, die slechts wat dunner werd, waar de goten waren overgeloopen. Gelukkig kwamen wij, na een kwartiertje zoo te hebben voortgesukkeld, aan de O’Reillystraat, die zindelijker en breeder was. Door de groote vensters der benedenverdiepingen zag ik hier keurig ingerichte vertrekken, fraai uitgestalde étalages en uitlokkende café’s, waar ik mij voorstelde, met genoegen te zullen zitten rusten, als ik eerst een geschikt logies had gevonden. Dit zou misschien niet gemakkelijk in zijn werk gaan in een stad als deze, waarvan de bevolking in de laatste vijf jaren met 40 000 zielen is vermeerderd, terwijl het aantal nieuwgebouwde huizen met dien aanwas geen gelijken tred heeft gehouden. Wel waren er een voldoend aantal hôtels, en eenige gemeubileerde huizen te huur, doch naar mijne meening veel te weinig fatsoenlijke pensions, rustige verblijfplaatsen, die men op een lange reis zeer leert waardeeren. Het eenvoudigste logies is hier trouwens verbazend duur; voor minder dan 5 francs kan men geen behoorlijke slaapkamer krijgen. Dit zal trouwens wel veranderen, naarmate de verhouding tusschen vraag en aanbod zich wijzigt, evenals het schromelijke overvragen der restauratiehouders, die voor een zeer eenvoudigen maaltijd 4 of 5 francs rekenen, vanzelf zal ophouden, wanneer zij meer concurrentie hebben te duchten.

De aanmerkelijke toename der bevolking zal op den duur grooter welvaart scheppen en meer kapitaal in omloop brengen, ’t geen wellicht gepaard zal gaan met meerder eenheid in het muntsysteem, waarin thans de grootste verwarring heerscht.

Want zoowel spaansch, als mexicaansch, amerikaansch, fransch en engelsch goud- en zilvergeld is hier in omloop, en met de betrekkelijke waarde dier verschillende muntstukken wordt op zoo willekeurige wijze omgesprongen, dat een vreemdeling, die er niet uit wijs kan worden, zijn geduld erbij verliest.

Eindelijk had ik dan toch een onderkomen gevonden in een particuliere woning, een eenvoudig benedenhuis, waarvan de voorgevel, die licht geverfd was, slechts twee groote vensters had, niet met luiken, maar met zonneblinden gesloten. Deftige huizen hebben in den regel een portiek of gaanderij met gecanneleerde zuilen, groote lantarens, en ijzeren hekken met grillige krullen en versieringen. Dit is wel opmerkelijk in een stad, waar de huizen over ’t algemeen arm zijn aan bouwkunstige versiering of kunstig smeedwerk.

Als ik mijn tijdelijke verblijfplaats binnentreed, kom ik eerst in de vestibule of zaguan, die door een boogvormige deur toegang geeft tot het eigenlijke woonhuis, dat bestaat uit een langwerpig vierkant vertrek, de eetzaal of comedor, waarin een tafel en eenige schommelstoelen staan; verder een salon (sala), met een bamboes ameublement en een piano, en meerdere slaapkamers, waarvan de mijne gemeubileerd is met een groote kleerkast, een flinke toilettafel en een breed bed, met springveeren matras. De binnenplaats (het patio) is achter deze vertrekken gelegen, en aan de overzijde daarvan is de keuken, (cocina) waarin zich alleen een groot, gemetseld fornuis bevindt en een soort van groote, poreuze vijzel, om water te filtreeren. Alle vertrekken zijn hoog van verdieping, hebben helder gewitte muren, en zijn meestal met tegels bevloerd. Frissche lucht is er in overvloed, daar de deuropeningen slechts voor twee derde worden gevuld door de kleine, niet meer dan manshooge deurtjes, eigenlijk slechts luiken, van hout of van gekleurd glas. Alleen de boogopening boven de deur der eetzaal is gevuld met sierlijk gekleurde glazen ruitjes.

Zeer ingenomen met mijn nieuwe woning, die mij keurig netjes en zindelijk scheen, begaf ik mij naar een restauratie, waar men, aan groote ronde tafels gezeten, van acht uur af een ontbijt of desayuno kon krijgen, van tien tot twaalf het tweede ontbijt of almuzzo, en van vijf tot zes het middagmaal, de comida. Vlugge kellners, gekleed in zwarten pantalon en wit of gekleurd hemd, droegen de schotels aan, en het menu was lang niet verwerpelijk; er was soep, verschillende visch- en vleeschspijzen, rijst en groente, versche en ingemaakte vruchten en confituren, guava, ananas, kokosnoten en zelfs goede kaas. Zeer eigenaardig vond ik sommige nationale gerechten, zooals bijv. de patas, een ragoût van kalfspooten met aardappelen, olijven en rozijnen, de ajiaco, een gerecht van gehakt ossen- of varkensvleesch, met bananen, kalebas en maïs toebereid, de tasajo de Puerto-principe, een vleeschschotel met schijfjes aardappelen en citroen; de “gele rijst”, vermengd met stukjes varkensvleesch, ham en mosselen, en eindelijk een zonderlinge vrucht, de aguacate, een soort langwerpige peer, van buiten groen of paarsachtig, en waarvan het vruchtvleesch, dat zacht en geel was als boter, naar hazelnoten smaakte. Bij den maaltijd werd bij voorkeur ijswater gedronken; ik week echter af van dien regel en bestelde een half fleschje zeer donkergekleurden wijn, Rioja Clarete.

De Obispo-straat, die goed is onderhouden en met asphalt geplaveid, wordt als een der mooiste straten van Havanna beschouwd. In elk geval zijn daar de fraaiste winkels, waar allerlei sierlijke voortbrengselen van fransche kunst en nijverheid liggen uitgestald, die in het tropische zonlicht goed tot hun recht komen. Andere drukke winkelstraten zijn die van San Rafael, Neptuno en Galiano; doch de magazijnen van den groothandel liggen aan de Ricla-straat, waar de dichte huizen en de afwezigheid van drukte een groot contrast vormen met het levendig verkeer in de hoofdstraten, waar veel buiten wordt uitgestald, en bovendien allerlei kooplieden u op karretjes hun waar aanbieden, of een halven bazar op den rug mededragen.

De eigenlijke markt, Plaza del Vapor genaamd, is een overdekte hal, waaromheen galerijen zijn gebouwd, en waar een verbazende drukte heerscht. Om slechts enkele te noemen van de merkwaardige producten, die hier werden te koop geboden: ik zag bij de afdeeling voor groenten o.a. meerdere soorten aardappelen, die bij ons niet bekend zijn; behalve de gewone (malangua) waren hier zoete (boniato), langwerpige (Yuca) en een kolossaal groote soort (name); verder de challote, een groote peulvrucht van vreemd gewrongen vorm, en de guimbombo, een zeer zure augurk met bijzonder spitse punten. Bij de vruchten vielen mij op: de groene of roode oranje-appelen, [147]de mango’s, de sapate, een soort van roodachtig grijze appel, die naar mispels smaakt, en vol zwarte pitten zit, de caïmito, een andere, groote, paarse appelsoort, waarvan het vleesch vuurrood is en op vijgen gelijkt; de mamey, een kleine donkerroode, zoete meloen, die met gestampt ijs gebruikt wordt; de maranon, die op spaansche peper gelijkt, maar een zacht, wit vruchtvleesch heeft; de guanabana, in vorm gelijkend op een groote, donkergroene, stekelige aardbei, zeer verfrisschend en aangenaam van smaak; verder gele of groene ananassen; kleine pruimensoorten, manoncillos en hicacos; de guayaba, een kleine wrange citroen, die geconfijt wordt gebruikt, tamarinde, granaten, gele en roode bananen, kokosnoten en suikerriet.

Ook op de vischmarkt zag ik allerlei onbekende soorten, vooral van karpers en kabeljauwen; tong en tarbot worden hier niet veel gegeten. De afdeeling voor gevogelte was ook goed voorzien; ik stond verbaasd over die massa’s levende kippen, eenden, duiven, kalkoenen en konijnen.

In de buurt van de markthal zag ik kooplieden, die te paard met hun gevogelte, of met suikerriet de stad ingingen, om daar hun waar van de hand te doen. Terwijl ik hier rustig rondwandelde, deed ik een ondervinding op, die mij er aan herinnerde, hoe ver ik van Parijs was; een paar straatjongens, die zich vermaakten over mijn hoogen hoed, begonnen mij met appelen te gooien en riepen, dat ik er een dynamietbom onder verborgen had. Ik moest mijn blijkbaar aanstootelijk hoofddeksel dus wel verwisselen voor een Panamahoed, die dan ook in het gebruik oneindig praktischer bleek.

Eene bijzonderheid springt den reiziger in deze streken aanstonds in het oog, n.l. dat de bewoners van Cuba, al hebben zij geen gebrek aan sommige groenten, vruchten en visch, hun koloniale waren, vleesch in bussen en verduurzaamde groenten uit den vreemde laten komen. Maandelijks worden 25 000 ton snijboonen, erwten, meel, rijst, reuzel, ham en gezouten amerikaansch vleesch hier ingevoerd. In de hoofdstraten ziet men dan ook groote magazijnen van levensmiddelen, toebehoorend aan handelaars, die te Cuba goede zaken hebben gemaakt. Zoo belangrijk is deze invoer, dat het noodig is gebleken een afzonderlijke beurs hiervoor op te richten, la Lonja de Viveres, die koop en verkoop bespoedigt en vergemakkelijkt. Tegen een maandelijksche betaling van 5 francs kan elke koopman, ’t zij hij in ’t klein of in het groot handel drijft, hier komen kiezen, vergelijken en koopen; terwijl hij voor de som van 27.50 fr. in de maand het recht verkrijgt, zijn eigen monsters hier tentoon te stellen. Deze beurs, die des morgens van 7 tot 10 uur is geopend, heeft zich in een tijdsverloop van zestien jaren verbazend uitgebreid; haar aandeelen werpen thans 10 à 12% rente af, terwijl zij bovendien in staat is geweest, voor liefdadige doeleinden en instellingen van algemeen belang 148 200 francs te besteden. Er werden dan ook reeds plannen beraamd, om een prachtig gebouw van vijf verdiepingen te doen verrijzen op de plek, waar thans in een tamelijk primitieve omgeving tal van rijke kooplieden hun zaken komen doen.

Uit de drukke handelswijk, waar inderdaad een buitengewone bedrijvigheid heerschte, begaf ik mij thans naar dat rustiger gelegen gedeelte der stad, waar de gezeten burgers hun woonplaats hadden gekozen. Sommige van de deftiger straten hadden bepaald een aristocratisch karakter, dat op den vreemdeling een aangenamen indruk maakte; zooals bijv. de Paseo Marti, een lange rij witte gebouwen, voor het meerendeel smaakvol ontworpen, die uitzien op een plantsoen van fraaie laurierboomen. Aan het eind van deze laan staat een prachtige kiosk, waarachter in de verte, aan de overzijde van een zeeinham, een vuurtoren oprijst. Zoo zijn er nog meer mooie punten, o. a. het havenplein, met een fontein en een standbeeld van Neptunus, de Malecon, een wandelplaats langs zee, en de boulevard de l’Indienne, beschaduwd door hooge boomen, en zoo genoemd naar het marmeren standbeeld eener indiaansche vrouw, dat een fontein versiert.

Verder zag ik het Columbus-park, waar, in een vijver onder palmboomen, een familie krokodillen huisde, en de laan van Carlos III, waar, tusschen eindelooze rijen boomen, een onafzienbare reeks kleine standbeeldjes prijkte, die mij echter te veel aan pendule-ornamenten deden denken, om ze veel aandacht waardig te keuren.

Een zeer druk kruispunt van het verkeer is het plein van Muella de Luz; minder schilderachtig gelegen is dat van San Juan de Dios, een soort terras, met elzen beplant, van waar de verschillende tramlijnen uitgaan, naar de deftige stadswijken, en naar de volksbuurten, waar in wonderlijke blinde sloppen en steegjes de armste bevolking woont. Een van de zonderlingste straten vond ik de Calzada del Monte, waar als versiering lange rijen blauwe, paarse, rose en groen geschilderde zuilen zijn aangebracht, en die uitkomt op een pleintje, waar een standbeeld staat van den ingenieur Albear, die de waterwerken der stad heeft aangelegd.

Van daar komt men in het Centrale Park, waar de hoofdstraten der stad samenkomen, en waar zich een monument bevindt, gewijd aan de nagedachtenis van den patriot Marti. Hier zijn ook de grootste hotels, café’s, clubs en theaters van Havanna.

Er is alle reden om te verwachten, dat de stad zich nog voortdurend zal uitbreiden; want er is nog veel onbebouwd terrein, terwijl de prijzen van den grond steeds stijgende zijn.

Zoo zal een groot stuk grond bij het station Villanueva, waar thans loodsen en bergplaatsen van spoorwegmateriaal staan, zeer waarschijnlijk in de toekomst een der fraaiste gedeelten van de stad worden.

De publieke gebouwen, zooals bijv. het presidentspaleis, zijn over het algemeen grootsch en indrukwekkend, hoewel sommige steensoorten veel hebben te lijden door hitte en vocht. De kathedraal, met haar twee torens, is reeds eenige eeuwen oud en daardoor vervallen; doch meerdere kerken zijn in zeer goeden staat, zooals die van Los Angeles en Merced, waar een nabootsing der grot van Lourdes wordt vertoond; de rijkversierde kerk van Santo Domingo, en andere kapellen, die slechts bij feestelijke gelegenheden worden geopend, zooals de Jezuitenkapel van Belem en de Karmelieter kapel van Santo Felipe, waar een middernachtelijke godsdienstoefening wordt gehouden, [148]met begeleiding van piano, klarinet, castagnetten, triangel, tamboerijn en ... hanengekraai. Op den naamdag van den H. Christoforus wordt in een kleine kapel, El Templete genaamd, eene mis gelezen, ter herinnering aan de eerste godsdienstoefening, die in 1519 te Cuba werd gehouden in de schaduw van een katoenboom. El Templete is een klein marmeren gebouwtje, in Griekschen tempelvorm, dat in 1598 door Ferdinand VII werd ingewijd. Het is het eenige gebouw, dat herinnert aan de dagen der stichting van het latere Havanna, dat oorspronkelijk Port Carenas heette.

Een bekoorlijke, geheel nieuwe voorstad is de Vedado, een reeks fraaie villa’s, aan zee gelegen. Het in de rotsen uitgehouwen badhuis biedt geschikte gelegenheid tot baden aan. Ook andere buitenwijken zijn zeer gezond en daardoor gezocht, zooals Cerro, Jesus del Monte, en Regla, waar echter meer arbeiders wonen.

Voor de openbare veiligheid wordt in Havanna uitstekend gezorgd, doch de bewoners werken hiertoe van hunne zijde ook krachtig mede. Het brandweerkorps, dat uit 520 vrijwilligers bestaat, wordt bijna geheel door particuliere bijdragen in stand gehouden; de kooplieden dragen hiertoe 3540 francs bij, twintig brandverzekeringsmaatschappijen samen 39 960 francs; de stad zelf 109 000 francs, en de staat betaalt slechts 60 000 francs.

Ik hoorde niets dan lof over dit korps, evenals over de politie, die er in geslaagd is, het aantal gepleegde misdrijven terug te brengen tot op een vierde van het vroegere getal. En dat nog wel bij een betrekkelijk geringe politiemacht, slechts elfhonderd agenten, de geheime politie medegerekend. Hierdoor is de dienst zeer zwaar, en de diensttijd duurt, drie dagen van de vier, vijftien uren; doch de agenten vervullen hun taak met buitengewone toewijding en houden nacht en dag een wakend oog. Van het geringste vergrijp wordt onmiddellijk per telefoon kennis gegeven aan het hoofdbureau midden in de stad.

Koopman op straat.

Koopman op straat.

De bewoners van Havanna behoeven dus niet beducht te zijn voor hun persoonlijke veiligheid, als zij zich buitenshuis begeven. Het klimaat is hiervoor volstrekt geen beletsel, want de warmte is in deze streken zeer dragelijk. Ook is de temperatuur genoegzaam aan afwisseling onderhevig, om twee jaargetijden te onderscheiden. In den winter daalt de thermometer soms tot 9 graden, om in den zomer wel tot 40 te stijgen. Doch over ’t algemeen kan men aannemen, dat van October tot Juni de gemiddelde temperatuur ’s morgens 24°, ’s middags 28°, en ’s avonds 26° bedraagt; terwijl van Juni tot October de temperatuur wisselt tusschen 26° en 32°. In den nazomer, vooral in September, wordt de hitte getemperd door een zachten regen, die geregeld des middags valt, terwijl in den winter het weer warm en droog is. Het klimaat is hier dus bij uitstek gunstig en aangenaam te noemen.

Voor de openbare gezondheid wordt uitstekend gezorgd en aan de zuiverheid der atmosfeer streng de hand gehouden, zoo wordt bijvoorbeeld van eigenaars van tabaksfabrieken geëischt, dat zij de grootste zindelijkheid betrachten, wat betreft het verwijderen van het sputum der werklieden; en ook in particuliere woningen wordt een wakend oog gehouden, en alle sanitaire ongerechtigheid streng geweerd. Van besmettelijke ziekten moet worden kennis gegeven aan een inspecteur, die er voor zorgt, dat de patient blijft afgezonderd, en het huis na zijn herstel of overlijden wordt gedesinfecteerd. Deze maatregelen hebben natuurlijk de gunstigste gevolgen gehad, terwijl het verbod, om stilstaand water onbedekt te laten, de muskieten heeft doen verminderen, en vooral de ontwikkeling heeft tegengegaan van den culex faciatus, welks steek de gele koorts teweeg bracht. Zoowel de gele koorts als de tuberculose, welke vroeger vier vijfde van de bevolking hevig hebben geteisterd, zijn thans zoo goed als verdwenen. Door het nauwkeurig onderzoek, waaraan de emigranten zijn onderworpen, is ook de mogelijkheid van overbrenging van besmetting uit den vreemde grootendeels buitengesloten. De armeren onder de landverhuizers moeten een quarantaine doormaken in het lazaret Mariel, of vijf dagen onder observatie blijven te Triscornia.

Al deze uitstekende maatregelen heeft men te danken aan de voorzorgen van den Algemeenen gezondheidsdienst, die 368 beambten ter inspectie uitzendt, door geneeskundigen voordrachten over gezondheidsleer doet houden onder de arbeidende bevolking, en over het geheele eiland zijn wijs bestuur uitstrekt. Wel worden groote sommen jaarlijks door dezen tak van dienst verslonden; doch thans kan Cuba dan ook met voldoening het feit constateeren, dat het van een der ongezondste verblijfplaatsen ter wereld juist het tegenovergestelde is geworden, en dat het meerendeel der hospitalen op Cuba zoo goed als leeg staat, zoodat het niet lang meer zal duren, of de kliniek van San Antonio voor geheime ziekten, en die van Animas voor de gele koorts, zullen kunnen worden opgeheven.

Kinderhospitaal op Havanna.

Kinderhospitaal op Havanna.

Behalve het krankzinnigengesticht van Mazorra en een toevluchtsoord voor kinderen, la Beneficencia, zijn hier ook vele liefdadige inrichtingen, die slechts door particuliere bijdragen worden in stand gehouden. De oudste van deze, de Quinta de Salud Benefica, is niet groot, maar in deze, evenals in de twee andere dergelijke inrichtingen, worden de nieuwste methoden gevolgd en is alles op moderne leest geschoeid. In de Quinta de Salud Covadonga, die in een fraai eigen park met een kapel is gelegen, worden 200 zieken verpleegd, terwijl in de Quinta de [150]Salud de la Purissima Concepcion 700 patiënten van alle natiën gratis verzorging en verpleging kunnen vinden.

De rijke en milddadige leden dezer vereenigingen zijn echter, behalve door het stichten van hospitalen, ook op allerlei andere wijzen werkzaam voor het algemeen belang. Zij hebben ook clubs gevormd, welke zich oorspronkelijk ten doel stelden de spaansche emigranten onder elkander te verbinden en voort te helpen. Deze vereenigingen hebben nog slechts vijf en twintig jaren bestaan, en in dien tijd zeer veel goeds tot stand gebracht. Ze bestaan uit lieden van allerlei stand en leeftijd.

Zoo is de club van La Quinta Covadonga, die 16 150 leden telt, alleen open voor kolonisten van spaansche afkomst. Zij bezit een kapitaal van 2 500 000 francs en heeft voor de verbouwing en verfraaiing van haar Vereenigingsgebouw, dat voor 400 000 francs werd aangekocht, nog 500 000 francs besteed. Deze vereeniging draagt jaarlijks een som van 75 000 francs bij tot het openbaar onderwijs, en besteedt aanzienlijke sommen voor opleidings-cursussen, waaraan zoowel meisjes als jongens kunnen deelnemen, en waarin onderricht wordt gegeven in spraakkunst, aardrijkskunde, geschiedenis, fransch en engelsch, wiskunde, stenographie, dactylographie, teekenen en handelswetenschappen.

De Club der Quinta Benefica is een vereeniging van Galiciërs, twaalfhonderd in getal, en rijk genoeg om, tegen een zeer hoogen prijs, den nationalen schouwburg in eigendom te hebben verworven.

De Club van de Quinta Purissima Concepcion telt haar leden meer onder jongere en oudere kooplieden en ambtenaren, onverschillig uit welke provincie van Spanje zij afkomstig zijn. Deze club heeft 20 000 leden en bezit een fraai nieuw clubgebouw, waaraan een gymnastiekzaal, een bibliotheek en een leeszaal verbonden zijn, een prachtige feesthal, 3000 vierkante meter groot, en scholen voor de kinderen der leden, terwijl de vereeniging een dertigtal onderafdeelingen heeft.

Behalve deze grootsche ondernemingen, die opnieuw de waarheid bewijzen van het spreekwoord “Eendracht maakt macht”, is er in Havanna nog een duitsche club, een artistieke en litteraire vereeniging, l’Aténéo, en het spaansche casino, waar vreemde talen en teekenen worden onderwezen, en dat ook in de provincie met vrucht arbeidt. Zelfs de mulatten en de zwarte bevolking hebben hun sociedades, wel een bewijs, hoe de bewoners van Cuba, onder alle klassen der bevolking gesteld zijn op gezelligheid en tijdverdrijf buitenshuis.

De vreemdelingen, die vroeger, ondanks den roep, die van Cuba’s schoonheid uitging, het eiland ontvluchtten, uit vrees voor de gele koorts, komen thans, nu die verschrikkelijke bezoeking is geweken, hier in grooten getale vertoeven. Vooral bewoners der Vereenigde Staten, die de koude willen ontvlieden, komen den winter te Havanna doorbrengen. Jaarlijks komen omtrent 10000 vreemdelingen naar de hoofdstad, die meer en meer het Nice van den Atlantischen Oceaan wordt.

Van December tot Maart volgt hier de eene feestelijkheid na de andere, waaraan zoowel de ingezetenen als de vreemdelingen plegen deel te nemen; bals en komedievoorstellingen wisselen af met rijtoeren en muziekuitvoeringen in de open lucht, en nemen den dag zoowel als den avond in beslag.

De nationale schouwburg, die 4000 plaatsen voor toeschouwers bevat, en in 1837 werd gebouwd, onder den gouverneur Tacon, wijkt in geen enkel opzicht af van andere dergelijke gelegenheden in tropische landen: breede gangen en goede ventilatie weren er de overgroote hitte. De schouwburgzaal is vrij eenvoudig, en sober wat de versiering betreft. Er komen veel buitenlandsche sterren van de eerste grootte; zoo spaansche als italiaansche en fransche, o. a. Guerrero, Tetrazzini, Reiter, Thuillier, Duse, Coquelin, Réjane en Sarah Bernhardt. Op zulke avonden betaalt men 10 francs alleen voor entrée, en nog 10 of 15 francs bovendien voor een plaats in de stalles of in een loge.

In een kleiner theater, het Alhambra, worden aardige pittige revues vertoond, waarin de vaderlandslievende geest der Cubanen ruimschoots gelegenheid tot uiting vindt.

In het Palatino-park, een zeer aantrekkelijke plaats van bijeenkomst, waar de jeugd zich gaarne gaat vermaken, wordt in een groote zaal vol belangstellende en ijverig weddende toeschouwers, Jai Alaï gespeeld, (’t geen “vroolijk spel” beteekent); het is een soort spaansch balspel, dat veel behendigheid vereischt.

Op een andere uitgestrekte vlakte spelen jongelieden baseball, een spel van amerikaanschen oorsprong.

Natuurlijk wordt er veel gefietst, ook door negers, en reeds hebben op den weg van de hoofdstad naar San Cristobal automobielwedstrijden plaats gehad, die levendige geestdrift wekten; zoodat voor den eerstvolgenden wedstrijd reeds schitterende prijzen werden uitgeloofd, vier bekers, meerdere kunstvoorwerpen, en een prijs van de stad Havanna van 100 000 francs.

Dames nemen aan al deze spelen in de open lucht hier weinig deel, en spelen zelfs niet geregeld tennis.

Natuurlijk vond ik het verreweg het meest interessant, ook eens een gezellige bijeenkomst onder de lagere klassen der bevolking te kunnen bijwonen. Onder deze is men gewoon onderscheid te maken tusschen negers en mulatten; hoewel het van zelf spreekt, dat zij, die niet in slavernij geboren zijn, of wier uiterlijk in niet al te sterke mate het negertype vertoont, zich gaarne bij de laatstgenoemden scharen, en niet willen toegeven, dat zij zwarten zijn. Zoowel negers als mulatten hebben hun eigen clubs; in het geheel wel een dertig in getal. Ik genoot eens het voorrecht, een invitatie te ontvangen van de Gardenia-club, waar ik aan den ingang door een majestueuze negerin werd verwelkomd. In een zaal met een uitstekend orkest en een mooien Pleyel vond ik de heeren in onberispelijke gekleede jassen en de dames in groot toilet eendrachtig bijeen.

Sommige der donkergekleurde schoonen waren in het rood gekleed, droegen puntige mutsen, een houten sabel, en een herkenningsteeken, waarop de naam Jeanne d’Arc stond te lezen; ik kon echter, ondanks mijn herhaald aandringen, niet van haar gedaan krijgen, mij te vertellen wat dit beduidde. De avond verliep in de grootste orde, onder dansen, muziek, en geregelde pauzen, en men beijverde zich blijkbaar, op het punt van étiquette niet voor het deftigste blanke gezelschap onder te doen. [151]

Men danste de habanera en den rigodon; maar ook een amerikaanschen dans, Two Steps, met begeleiding van de bekende Hiawatha; onze walsen en de muziek van Strauss worden weinig gedanst en gespeeld; daar men in dit warme klimaat de voorkeur geeft aan een langzamer tempo, zooals bij den geliefkoosden Danzon. Bij dezen dans zijn alle bewegingen rustig en ingehouden; een paar polka-passen; een langzame pirouet, de dansers komen bijna niet van hun plaats, en men kan gerust tusschen de dansende paren doorwandelen, die met ernstige gezichten tegenover elkaar hun figuren uitvoeren. De eenige, curieuse beweging, die dezen overigens vrij plechtstatigen danspas verlevendigt, is een soort van onverwachte schok met de heupen, die soms een bijna komischen indruk maakt, vooral daar de muziek, die dezen dans begeleidt, allerwonderlijkst vreemd en grillig is, en eigenlijk op een vreemdeling den indruk maakt, alsof ieder instrument op zijn eigen houtje speelt, met de bedoeling, zooveel leven te maken als maar eenigszins mogelijk is. Men zou denken dat zij het zoo geen tien minuten achtereen konden volhouden, en gelukkig namen dan ook de muzikanten om het kwartier een poos rust. Zij bedienden zich voor het maathouden van een opzettelijk hiertoe vervaardigd instrument, de guïro, een langwerpige kalebas, aan het eene eind omgebogen, uitgehold, gedroogd, en in de dwarste geribd door inkervingen, waarover met een vischgraat, of een ijzeren staafje wordt gestreken. De artist, die het speeltuig hanteerde, sloeg soms tot afwisseling de maat met een paar stukken hout; doch keerde dan weer tot zijn instrument terug, dat een scherp, hortend geluid gaf, en aan een afrikaansche tam-tam deed denken. De danzon, die bij de volksklasse zeer in trek is, wordt echter in aristocratische kringen niet gedanst.

In het Parque Central en het Malicon komen tweemaal ’s weeks de burgerlieden, zoowel als de meer beschaafden, luisteren naar de muziekuitvoeringen van het stedelijk orkest; en daar had ik gelegenheid allerliefste jonge meisjes te zien en mooie gezichtjes te bewonderen, met groote oogen, fijne trekken, een matte, maar fluweelige gelaatstint, prachtig zwart haar en een meer gevulde dan slanke gestalte. Zij droegen gracieuse, lichte toiletjes, maar in den regel geen hoed. Behalve die twee avonden, waarop zij zich buitenshuis mogen vermaken, en een enkele maal een wandeling, blijven zij meestal binnen haar vier muren opgesloten en voeren daar weinig uit. Het grootste gedeelte van den dag wordt besteed aan in een makkelijken stoel zitten babbelen, eens in de geïllustreerde tijdschriften bladeren, of een vertaalden roman lezen van Dumas, Daudet of de Maupassant.

Tot afwisseling wordt wel eens een half uurtje piano gespeeld, Strausz-walsen, amerikaansche operettes; zelden een klassiek stuk. Wat beide haar harten en hoofdjes het meest in beslag neemt en ledige uren vult, is het opstellen van geheimzinnige briefjes, die aan de hoede eener in dergelijke zaken bedreven negerin worden toevertrouwd en mededeelingen bevatten van gelukkig nog al onschuldigen aard. Dikwijls ook komen de jeugdige aanbidders der schoonen haar een bezoek brengen; in deftige kringen worden zij dan in den salon ontvangen, onder het waakzaam oog eener voorzichtige mama, die echter wel eens behoefte heeft aan een middagslaapje; behoort het paartje tot den burgerstand, dan wordt het gesprek desnoods gevoerd door de belemmerende tralies van een of ander achtervenster. Zoo gaan voor de jonge dames van Havanna de dagen voorbij; zelfs boodschappen doen bezorgt haar geen afleiding, daar het gewoonte is, alle bestellingen aan huis te laten bezorgen. Alleen schoolgaande meisjes leiden een vrijer leven, als zij tenminste niet een der verschillende kostscholen bezoeken. Veel goeds hoorde ik van een instituut voor jongedames, aan het hoofd waarvan reeds vijfentwintig jaren een zekere Mme Maria Luisa Dolz had gestaan, wier zilveren feest juist tijdens mijn verblijf in Havanna luisterrijk werd gevierd. Een andere inrichting van onderwijs, die ik ook zeer hoorde prijzen, was die van Mlle Léonie Ollivier, een echte fransche school, waar aardrijkskunde en geschiedenis in het fransch werden onderwezen, en waar de leerlingen uitstekend op de hoogte waren van de fransche litteratuur.

Parijs te zien, was het ideaal van al die cubaansche jongejuffertjes. In tegenstelling met de amerikaansche en duitsche inrichtingen van onderwijs, werd hier aan de fransche school ook les gegeven in Spaansch, en op de mandoline, welk gracieus instrument door een groepje allerliefste jonge meisjes met veel vaardigheid werd bespeeld. Jammer vond ik het, dat die aardige schepseltjes zich niet wat meer in het publiek mochten vertoonen. Op de wandeling in de parken ziet men hier op de banken niet anders dan mannen zitten uitrusten en naar de voorbijgaande negerinnen en mulattenvrouwen kijken. Mocht het maar eenmaal voor de dames van Havanna mode worden, zich geregeld buitenshuis te vertoonen, dan zou de stad er aan vroolijkheid bepaald door winnen. Op het gedrag van de fatsoenlijke meisjes uit den burgerstand valt hier niets aan te merken. Ik deed moeite om mij hiervan door eigen ervaring te overtuigen; maar ik bemerkte zeer goed, dat ik mij geen te groote vrijheden mocht veroorloven. Zij hebben meest allen wel een vriendschappelijke verhouding met een of ander jongmensch, dat haar het hof maakt; maar alles gaat in eer en deugd toe, onder het wakend oog van ouders of verwanten. Onder de arbeidstertjes op de sigarenfabriek maakte ik aardige kennissen; maar zoodra ik haar met complimentjes aankwam, wilden zij van die duidelijk uitgedrukte bewondering niets weten. Ze droegen dan ook allen het portret van haar novio bij zich, meestal op een der knoopen van haar japon; zoodat ik wel kon nagaan, dat de kans voor mij verkeken was. Maar ik geloof, dat ik ook bij eene, wier hart nog vrij was, geen gunstige ontvangst zou hebben gevonden; want het komt zeer zelden voor, dat een meisje uit Cuba haar land verlaat, om met een vreemdeling te huwen.

De bewoners van Havanna zijn vriendelijk en voorkomend bij een eerste kennismaking; zij begroeten u hartelijk en bieden u, altijd in dezelfde stereotype phrase, hun huis en hun persoon aan, [152]om vrijelijk over te beschikken. Het spreekt van zelf, dat men al die beminnelijkheid niet letterlijk moet opvatten. Men doet maar ’t best, er niet op te vertrouwen, en zelfs niet teleurgesteld te zijn, als men, na een afspraak, die men als een dringende invitatie had opgevat, aan de deur van de meid hoort, dat het de familie beter zal schikken u morgen te ontvangen. En wanneer men eindelijk behoorlijk is geïntroduceerd, smaakt men het genoegen, in een schommelstoel in den salon gezeten, het eene muziekstuk na het andere te hooren voordragen. Zelden wordt men toegelaten in den intiemen huiselijken kring en evenmin ten eten gevraagd. Zelfs bij beschaafde en welopgevoede lieden viel mij dat stijve en gedwongene in hun houding op; misschien het gevolg van een natuurlijk wantrouwen jegens vreemdelingen, ontstaan gedurende jaren van opstand en verzet. Familiebijeenkomsten hebben slechts plaats met Kerstmis en Nieuwjaar, verder ontmoet men elkaar in den schouwburg, de club, of bij publieke vermakelijkheden. Overigens wordt in Havanna veel en flink gewerkt. De omstandigheden zijn in materieel opzicht veel verbeterd en de jaren van 1896–99 zijn thans vergeten. In ’99 bracht de tabaksoogst zoo goed als niets op en de suiker zeer weinig; doch om in dien treurigen toestand verandering te brengen, werd geen moeite gespaard en geen opoffering te groot geacht, zoodat thans, nadat met verdubbelde kracht is gearbeid, velen in Havanna schatrijk zijn geworden. De stad telt onder haar inwoners thans wel dertig millionairs, en daar deze kapitalisten gaarne pronken met hun groot fortuin, neemt de weelde er meer en meer toe, en wordt door het ontstaan eener geldaristocratie de kloof, die de maatschappelijke klassen scheidt, steeds dieper. De stad telt bijna 275 000 zielen; de verhouding der blanken tot andere rassen is 71.8 tot 28.2 per cent. Bij de laatste volkstelling zijn opgegeven: 156 102 Cubanen, 7819 Spanjaarden, 12 695 verklaarde vreemdelingen, en 65 389 die niet als vreemdelingen verklaard zijn, terwijl van een vijftigtal bewoners de nationaliteit niet was vast te stellen.

De Paseo Marti te Havanna.

De Paseo Marti te Havanna.

Wel een zeer uiteenloopende bevolking, vol tegenstrijdige denkbeelden, onvereenigbare opvattingen en godsdienstig meeningsverschil. Zonderlinge sekten worden hier aangetroffen, zooals het geheime genootschap der nanigos, een soort vrijmetselaars.

Onder de protestanten zijn veel baptisten, ook methodisten en presbyterianen. De groote massa echter is katholiek.

Het karakter der mannelijke bevolking laat zich niet gemakkelijk met een paar woorden omschrijven. Lichamelijk zijn de Cubanen in den regel goed ontwikkeld, en hun voorkomen is eer innemend dan het tegendeel; doch hun innerlijk wezen is zeer gecompliceerd. Vatbaar voor indrukken, lichtgeraakt, snel ontvlambaar, en toch weer koel beredeneerd, is de Cubaan een mengelmoes van tegenstrijdige hoedanigheden, en al wat hem bezielt, haat of liefde, hoop of teleurstelling, traagheid of arbeidslust, zoo deugden als ondeugden, schijnt vergroot en overdreven.

Wanneer hij er slechts gelegenheid toe ziet, speelt hij kaart, domino, of schaak, en zeer dikwijls is hij ook in den schouwburg te vinden. Wel bestaat er onder de meer ontwikkelden een groep lieden, die zich bij voorkeur met philosofische studiën bezighouden en de werken bestudeeren van Ribot, Spencer, Schopenhauer en Leroy-Beaulieu. [153]

Muziek in de kiosk van de Glorieta te Havanna.

Muziek in de kiosk van de Glorieta te Havanna.

Sedert het land een periode van bloei en vooruitgang is ingetreden, geraken de belangen van het onderwijs zeer op den voorgrond. Aan het lager onderwijs wordt groote zorg besteed, vooral in eene der openbare scholen van Havanna, die genoemd is naar den opvoedkundige José de la Luz. In reuzengroote zalen zag ik daar meer dan duizend kinderen gymnastiekoefeningen uitvoeren op de maat van het volkslied, terwijl in den aangrenzenden tuin de kleine kinderen van de bewaarschool speelden. Het meer uitgebreid onderwijs wordt gegeven in een fraai ingericht gebouw, met een afzonderlijke zaal voor het onderwijs in aardrijkskunde, een botanisch museum, en een uitgebreide bibliotheek. De eenige kostschool, die ik bezichtigde, was het Jezuiten-college van Belem, met een fraai refectorium, een teekenzaal, een museum en een meteorologisch observatorium. Aan verschillende duitsche, spaansche en fransche meisjesscholen kunnen de leerlingen ook voor de Universiteit worden opgeleid. Het gouvernement besteedt jaarlijks bijna vier millioen dollars, of 20 800 000 francs aan het onderwijs van 232 000 kinderen, die verdeeld zijn over zes inrichtingen voor meer uitgebreid onderwijs, en 3600 lagere scholen in de stad en op het land. De universiteit, waar vooral de duitsche en amerikaansche wetenschappelijke methoden gevolgd worden, heeft vijf faculteiten: rechten, medicijnen, pharmacie, letteren en natuurwetenschappen. Tijdens mijn bezoek studeerden er zeshonderd jongelieden.

Behalve de universiteit, die op een heuvel is gelegen, van waar men een prachtig uitzicht heeft, mag ik nog melding maken van een kunstnijverheidschool, een schilder- en beeldhouw-akademie, twee muziek-scholen, en een bibliotheek die 1700 boekwerken bevat.

Havanna is trotsch op haar nationale schrijvers, zooals de lyrische dichter José Maria de Heredia, de tooneelschrijver Milanes, en schrijfsters als Mmes Avellaneda, Luaces, en Luisa de Zambrana.

Cuba heeft ook zijn musici en componisten, zooals Figueredo, de componist van het volkslied Bayamès; Sanchez Fuentes, die het lied la Havanaise heeft gecomponeerd, Espadero en Valenzuela, wier liederen veel worden gezongen; Villate, die de opera’s Zilia, Czarina, en Balthazar heeft geschreven; de violisten White, Hasselbrink en Albertini; en voorts Cervantes, Arizti en Maury, componisten van dansmuziek. Een romanschrijver, Cirilo Villaverde, die het volksleven schildert, en een letterkundig criticus, Pineyro, werden met veel lof genoemd. Onder de schrijvers van wijsgeerige werken noem ik: José de la Luz, Varela, Mestre Bachiller; del Valle, Varona; als historieschrijvers munten uit: Arrate, Montoro, Vidal Morales, Carlos de la Torre; allen mannen, die het hunne ertoe bijdroegen om belangstelling in de dingen van het geestelijk leven op te wekken.

Het revolutietijdperk van veertig jaren geleden schonk vele politieke redenaars gelegenheid, hun gaven te toonen; ook journalisten van naam traden in die dagen op den voorgrond, zooals Manuel Sauguily en Juan Gualberto Gomez. Onder de helden, die de onafhankelijkheid van hun vaderland dapper verdedigden, noem ik Iznaga, Narciso Lopez, Gomez, Marti, Cespedes, Maceo en anderen. [154]

Verschillende gedenkteekenen en bouwvallen herinneren nog aan die treurige dagen, zooals de vesting Fuerza, waarvan de toren als wachtpost diende, wanneer er zeeroovers op de kust waren; verder zijn er nog de forten Atares en Morro, die in de 18de eeuw de aanvallen der Engelschen hadden te doorstaan, en het fort Cabana, aan den voet van welks hoogen muur tal van vrijheidshelden bezweken onder de kogels der Spanjaarden. Als herinnering aan die dapperen is hier een bas-relief van Mercié geplaatst.

Buiten de muren van San Ambrosio, op een plek, waar men Havanna in de verte ziet liggen, staat een gedenkteeken, opgericht ter herinnering aan acht studenten, die beschuldigd werden het graf te hebben geschonden van een zekeren Cartanon, die het blad “de Stem van Cuba” had opgericht. Hoe nadrukkelijk zij ook hun onschuld betuigden, zij werden zonder genade ter dood veroordeeld. Niet ver van dit monument, ontworpen door den kunstenaar Saavedra, staat een vierkante zuil, ter herinnering aan een ramp, waarbij 28 brandweerlieden en politieagenten omkwamen, eene ontploffing in een ijzermagazijn, waar kruit verborgen was.

Meerdere gedenkteekenen, verspreid tusschen schaduwrijke lanen, vormen hier een soort van kerkhof, dat de herinnering aan droeve tijden wakker roept. Doch aan al dien treurigen strijd en verwarring heeft Cuba zich thans ontworsteld. Het land gaat een betere toekomst tegemoet, en heeft veel te danken aan een vaderlandslievende vereeniging van 500 bekwame mannen “de Sociedad Economica de amigos del Païs”, bij welke de oudste archieven berusten en die het beheer hebben over een groote bibliotheek van 42 000 boekdeelen.

Thans willen wij in groote trekken den opstand van 1868 beschrijven, welke door een lange periode van woelingen werd voorafgegaan, tot de tusschenkomst van Amerika het eiland aan de macht van Spanje ontrukte.

Toen het land in 1492 door Christoffel Columbus was ontdekt, vestigden zich hier driehonderd Spanjaarden, onder Diego Velasquez, en in 1511 reeds hadden deze kolonisten de oorspronkelijke bewoners grootendeels verdreven. In 1660 en in 1762 maakten de Engelschen er veroveringen, en in 1805 vermeesterden zij het geheele eiland, dat van toen af eerst tot werkelijken bloei geraakte, daar het zijn havens thans voor alle natiën kon openstellen, en binnen korten tijd zeer rijk werd. Na de herovering door de Spanjaarden echter werd het door de laatsten slechts beschouwd als een onuitputtelijke bron van inkomsten, terwijl niet de minste moeite werd gedaan, om de welvaart waaruit die rijkdommen voortsproten, in stand te houden en te bevorderen. Het land werd de prooi van een menigte ambtenaren en fortuinzoekers, die ieder voor zich trachtten, zooveel voordeel te verwerven als er slechts te halen viel, en zich van de beste plaatsen meester maakten. De bewoners van Cuba zelf werden niet alleen op alle mogelijke wijzen uitgezogen en benadeeld; maar bovendien met de grootste minachting behandeld. Gedrukt door zware en onrechtvaardige belastingen, en steeds grievend verongelijkt, begonnen zij de Spanjaarden te haten met een doodelijken haat. Op een verzoekschrift, door hen aan koningin Isabella gericht, waarin zij op verbetering van den toestand aandrongen, kregen zij een antwoord, dat, hoewel in schijn bevredigend, hen in werkelijkheid nog meer verbitterde, dan een volstrekte weigering zou hebben gedaan. In den loop van het jaar 1865 vormde zich op het eiland een revolutionaire partij; onder den onversaagden aanvoerder Carlos Manuel Cespedes, die op de vraag, met welke wapens men strijden zoude, daar het geld om ze te koopen ontbrak, ten antwoord gaf: “Met de wapens, die wij onzen vijanden zullen ontnemen.”

Ofschoon hij bevel voerde over ongeoefende troepen, slechts gewapend met slechte jachtgeweren, trok hij toch, in 1868 naar Santiago, waar hij twee maanden kampeerde, zonder door de spaansche bezetting der stad, die niet grooter in aantal was dan de troep opstandelingen zelf, te worden aangevallen. Doch in het laatst van December 1868, toen uit Spanje, behalve aanzienlijke versterkingen, een aantal schepen werd gezonden, dat de kust van het eiland bewaakte, begon een verschrikkelijke strijd. De uitgestrekte bezittingen van Cespedes werden verbrand, en dit was het sein tot een reeks van branden en plunderingen, die de parel der Antillen geheel verwoestten. De Cubanen wreekten zich, door de haciendas der Spanjaarden in brand te steken, en van beide zijden woedde de strijd meedoogenloos en verbitterd. De opstandelingen werden teruggedreven naar de stad Bayamo, waar zij hun hoofdkwartier hadden opgeslagen; doch liever dan dit plaatsje, waar hij geboren was, in de handen der Spanjaarden te zien vallen, stak Cespedes het in brand. Geen nederlaag, geen angst voor de vreeselijke wraakoefening, gepleegd op de gevangenen die afschuwelijk werden gemarteld, kon den moed der opstandelingen doen zinken; zij streden met de vertwijfeling der wanhoop, onder de heldhaftige en bezielende leiding van mannen als Modesto Diaz, Gomez, Vicente Garcia en Ignacio Agramonte. Verschil van ras en landaard werd vergeten; negers en Amerikanen schaarden zich aan de zijde der onderdrukten.

In het begin van den opstand had generaal Lersundi, de gouverneur van Cuba, bij gebrek aan geregelde troepen, vrijwilligers aangeworven, zoolang nog geen versterking uit Spanje was aangekomen. Deze lieden, gerecruteerd uit de laagste klassen der bevolking, waren volstrekt niet te vertrouwen, en hadden van krijgstucht geen begrip, zoodat zij voor de regeering eer een nieuw gevaar opleverden, dan dat zij haar tot steun strekten.

Daar het den Cubanen, die in de steden verblijf hielden, streng verboden was, zich naar hun landgoederen te begeven, op straffe van als opstandeling te worden beschouwd en dus gefusilleerd te worden, hadden de Spaansche vrijwilligers op de haciendas dezer grondbezitters de handen vrij, en maakten er schandelijk misbruik van hun macht, door de slaven door mishandeling te dwingen voor hen te werken, en zich de opbrengst van den oogst toe te eigenen. Als de beroofde eigenaar zich durfde beklagen, werd hij in de gevangenis geworpen en gedood, en wie het waagde op zijn bezitting te blijven, werd tot het uiterste getergd en geplunderd. Deze struikroovers, [155]die, onder den schijn van recht te doen, de laagste misdrijven pleegden, boezemden de cubaansche vrouwen zulk een haat en afkeer in, dat velen onder haar zich in de gelederen harer broeders schaarden, en medestreden, niet minder verwoed dan de mannen. In de omstreken van Santiago vereenigden zij zich zelfs tot kleine troepen, die zich in de maniguas (savannas) schuil hielden, en daar den vijand het hoofd wisten te bieden.

Eens gebeurde het, in den winter van het jaar ’73, dat een twaalftal dezer vrouwen, in een bosch, onverwachts een troep spaansche vrijwilligers ontmoette. De bevelvoerende officier wenschte van haar te vernemen, of zich daar in de buurt ook een kamp van opstandelingen bevond. Op haar ontkennend antwoord liet hij ze twee aan twee boeien en gevankelijk medevoeren.

Werkelijk trof men niet ver van daar het bedoelde kamp aan. Er werden eenige geweerschoten gewisseld, en de Cubanen, die voor de overmacht moesten wijken, lieten enkele dooden op het veld achter. Toen eene van de vrouwen, die in een gesneuvelden soldaat haar eigen man herkende, zich onder tranen van wanhoop op zijn lijk wierp, liet de luitenant alle twaalf vrouwen oogenblikkelijk fusilleeren, en moet zich zelf later over deze daad van ruw geweld hebben verhoovaardigd. Ook uit dezen tijd dateert de moord der acht studenten in de medicijnen, wier grafteeken ik zag op het kerkhof bij San Ambrosio. Zij hadden planten gezocht op een begraafplaats te Havanna, en werden zonder den minsten grond beschuldigd het graf te hebben ontwijd van een journalist, een voormalig aanhanger der spaansche partij, die in een duel met een Cubaan was gedood. Zonder nader onderzoek werden deze jongelieden ter dood gebracht, waarvan de oudste nog slechts twintig en de jongste niet meer dan zestien jaren telde. Ondanks dit alles wisten de opstandelingen zich niet alleen staande te houden, maar wapenen en zelfs kanonnen te verschaffen, die zij, zooals Cespedes had voorspeld, op den vijand veroverden. Ook uit Amerika werden wapens gezonden, maar vele Cubanen bedienden zich van pieken en de machete, een inheemsche sabel. In kleine troepen bestookten zij den vijand, dien zij bij voorkeur aanvielen van uit een hinderlaag, terwijl zij in de dichte bosschen een voor vreemden bijna ontoegankelijke schuilplaats vonden. De kleine, sterke en vlugge cubaansche paarden, waarmede zij volkomen waren vertrouwd, bewezen hun hierbij goede diensten.

Er was een tijd, dat het leger der opstandelingen uit 45 000 welgewapende soldaten bestond, terwijl niet minder dan 150 000 sterke mannen, vol toewijding voor de zaak der vrijheid, bereid stonden om de gevallenen te vervangen. Tien volle jaren hielden zij zich tegenover Spanje staande. Al spoedig hadden zij besloten, zich te vereenigen onder een geregeld bestuur, met een wetgevende kamer van afgevaardigden, een uitvoerend bewind, en een rechterlijke macht. In de hoop de Vereenigde Staten gunstig voor zich te stemmen, volgden zij in de regeling van hun bestuur het voorbeeld der groote republiek.

Den 10den April 1869 kwam de volksvertegenwoordiging van Cuba bijeen te Guaimaro, een plaatsje in het binnenland.

Haar eerste werk was de afkondiging der federale republiek, waarna beraadslaagd werd over de wetten volgens welke het land gedurende den vrijheidsoorlog zou worden geregeerd, en Carlos Manuel Cespedes als president der republiek gekozen.

Reeds hadden Peru, Chili, Bolivia en Mexico Cuba als een zelfstandige mogendheid erkend, doch het was voor de Cubanen van het grootste belang, dat ook de Vereenigde Staten hen als zoodanig zouden beschouwen, zoowel wegens den zedelijken steun, dien zij hierdoor zouden ontvangen, als om de materieele hulp, die zij uit Amerika konden verwachten. De buitengewone gezant der nieuwe republiek, Moralès Lemus had meermalen een onderhoud met president Grant te Washington, doch stuitte steeds op onoverkomelijke bezwaren. Spanje had zich aan het gezag van Isabella II onttrokken, en met de liberale regeering te Madrid stonden de Vereenigde Staten op vriendschappelijken voet. Toch veronderstelde men te Washington, dat Spanje wel bereid zou zijn van Cuba afstand te doen tegen een som van honderd millioen piasters.

Spanje onttrok zich echter aan de onderhandelingen, hoewel het bij de vergeefsche pogingen om den opstand op Cuba te dempen, reeds 100 000 man verloren had. Al kon dus Amerika niet rechtstreeks ingrijpen, noch het Congres, noch het volk verborgen hun sympathie voor de zaak der opstandelingen. Te New York vormde zich zelfs een comité, dat wapenen en munitie naar Cuba zond, leeningen sloot, en ijverig opkwam voor de belangen der Cubanen.

Deze “junta” bezat o. a. haar eigen schepen, die de waakzaamheid moesten verschalken van het spaansche eskader, als zij de opstandelingen wapenen wilden verschaffen; ’t geen des te moeilijker was, daar de rebellen slechts meester waren van een gedeelte van het binnenland.

In 1873 werd een dezer schepen, de Virginius, door een Spaanschen kruiser vermeesterd, nadat het reeds zijn geheele lading wapens in zee geworpen had. Ondanks deze voorzorg werd de bemanning, 61 man sterk, tot den laatste toe gedood. Stervende riepen zij nog: Leve het vrije Cuba! Hun bloedige hoofden werden op pieken door de straten van Santiago rondgedragen.

Al wekte deze gruweldaad een storm van verontwaardiging in Amerika, nog achtte de regeering het tijdstip niet gekomen om tusschenbeide te treden. Eerst het verlies van het amerikaansche pantserschip Maine in 1898 werd de aanleiding tot den Spaansch-amerikaanschen oorlog, waaruit de republiek Cuba zegevierend te voorschijn trad. Zooals bekend is, trad de nieuwe republiek in 1902 onder de bescherming harer machtige naburen op, aanvankelijk onder gunstige voorteekenen; doch spoedig maakten inwendige verdeeldheden een nieuwe tusschenkomst van Amerika noodzakelijk, thans niet tusschen Spanje en Cuba, doch tusschen de cubaansche regeering en het volk, dat zij vertegenwoordigde.

De republiek Cuba wordt bestuurd door een president, een vice-president en zes ministers. De wetgevende macht is toevertrouwd aan 24 senatoren en 64 afgevaardigden, die in April en November telkens veertig dagen zitting houden. De rechterlijke macht [156]berust bij een hoogst gerechtshof te Havanna, en dertien gerechtshoven in de provinciën. Ook staat onder haar beheer de stedelijke politie, en op het land de guardia rural, die 4000 man telt, benevens 800 artilleristen. Deze gewapende macht staat ook ter beschikking van 83 gemeentebesturen en zes provinciale gouverneurs. Het geheele regeeringssysteem staat (krachtens het amendement Platt) onder de gewapende bescherming van twee amerikaansche kuststations.

Dame uit Havanna.

Dame uit Havanna.

In den beginne scheen alles zeer goed te zullen gaan; de Kamers legden hare wetsvoorstellen voor aan den President, die zijn veto mocht uitbrengen, tenzij eene wet een meerderheid verkreeg van twee derde der stemmen van de volksvertegenwoordiging. Dank zij de gelukkige samenwerking van het hoofd van den Staat met hen, die hem ter zijde stonden, werd veel goeds tot stand gebracht; zoowel door maatregelen tot bevordering van de volksgezondheid, en door de instelling van een sanitaire- en veiligheidspolitie, als door de oprichting van nieuwe scholen, het aanleggen van wegen (in 14 jaren breidde zich het net van wegen over het eiland uit van 590 tot 4053 K.M.), en de verbetering van den post- en telegraafdienst. Ook werden met het buitenland voordelige tractaten gesloten. Zoo werd een overeenkomst aangegaan met de Vereenigde Staten, waarbij producten uit Cuba in de amerikaansche havens werden ingevoerd met 20 percent reductie, op voorwaarde, dat de amerikaansche waren in Cuba een reductie van 30 percent zouden genieten. Door deze overeenkomst, aangegaan voor den tijd van vijf jaren, nam de invoer van amerikaansche waren in Cuba verbazend toe, zonder dat daardoor de handel van Cuba met Europa schade leed.

Een leening van 175 millioen francs werd gesloten, om aan 30 000 strijders voor Cuba’s vrijheid schadeloosstelling te verschaffen voor het verlies van hun grond, die gedurende den vrijheidsoorlog verwoest was. Hierdoor geraakte de landbouw tot vernieuwden bloei; de levensmiddelen werden goedkooper en bij de algemeene welvaart nam de bevolking toe, toen helaas aan den politieken hemel zich wolken vertoonden.

Twee partijen waren allengs ontstaan; ter eener zijde de voorstanders van amerikaansche denkbeelden en al wat amerikaansch was, en daar tegenover de liberale partij, die onder de leus “Cuba aan de Cubanen”, Amerika openlijk vijandschap had gezworen. Een heftige pennestrijd werd van weerszijden gevoerd door bekwame journalisten, waaronder vooral de mulat Juan Alberto Gomez uitmuntte.

Eindelijk, den 23sten September 1905, moest de verkiezing van nieuwe kamerleden plaats hebben. Door list en bedrog gelukte het der gematigde partij een groote meerderheid te verkrijgen, waarop de liberalen handelend optraden, en onder hun drie leiders, generaal José Miguel Gomez, senator Alfredo Zayas en Juan Gualberto Gomez naar Havanna trokken. De regeering, die overrompeld werd en niet voldoende troepen tot hare beschikking had, wilde geen nieuwe verkiezingen doen plaats hebben, en moest tegen wil en dank aftreden.

Cubaansch jong meisje.

Cubaansch jong meisje.

Zonder hoofd kon de republiek echter niet blijven, en toen de pogingen van president Roosevelt om beide partijen te verzoenen vruchteloos bleken, maakten de Vereenigde Staten (krachtens het amendement Platt) gebruik van hun recht om vrede te stichten, en benoemden tot gouverneur van Cuba den heer Taft, die thans zijn taak aan den heer Magoon heeft overgedragen. Deze zal waarschijnlijk zijn ambt [157]bekleeden totdat het opnieuw aan het volk vergund wordt, zijn eigen vertegenwoordigers te kiezen en zoo in waarheid een republiek te worden. Het is voor Cuba te hopen, dat de moeilijkheden op vreedzame wijze worden opgelost, en het land een betere toekomst te gemoet gaat.

Toen Christoffel Columbus Cuba voor het eerst aanschouwde, verklaarde hij het voor het schoonste eiland, dat hij ooit had gezien. Ik aarzel niet, die uitspraak van den ontdekker te beamen; ook op mij maakte het een onuitwischbaren indruk.

De gesteldheid van den bodem is vol afwisseling. In de omstreken van Havanna grenzen kleine vlakten aan lage heuvels, het vlakke westelijk deel sluit zich aan bij een hoogen bergketen, die in een hoogvlakte eindigt; het midden van het land is gedeeltelijk moeras, gedeeltelijk golvende laagvlakte, waartusschen verspreide heuvelen verrijzen, terwijl het Oosten gevormd wordt door vlakten, rivieren, een bergketen en een hoog heuvelland.

Ook de geologische formatie van den bodem is zeer afwisselend. In het Westen is kalk- en kleigrond; de tabaksplantages liggen op een bodem, waar kalk, klei, kwarts, kiezel en ijzer wordt gevonden. In het midden des lands, waar suikerriet wordt verbouwd, is de bodem kalk, vermengd met klei of ijzer; òf kalk boven een laag zand, twee samenstellingen, die de roode en de zwarte aarde vormen. In het bergachtige Oosten, waar zich de uitgestrekte grasvlakten bevinden, op welke het vee graast, is de bodem een mengsel van kalk, klei en kiezel. In de hoogere streken is de grond hier en daar vulkanisch, en men ziet er granietvormingen, waarin marmer, bruinsteen, koper, ijzer, goud, steenkool, lood, zink, graphiet, en asbest worden aangetroffen. Ook ontspringen hier bronnen, die ijzer en magnesium bevatten.

De grond is uiterst vruchtbaar. Bijzonder veelvuldig wordt hier een boom aangetroffen met een lichtgekleurde schors en zware takken; de oreodoxa regia, of roem der bergen, ook bekend onder den naam Koningspalm. Naast dezen boom, die alleenstaand of in groepen voorkomt, zag ik ook andere palmsoorten, de kleine criolla, die een fleschvorm heeft; de coroio, met een zeer dikken stam, de hata, een gedrongen boom met een breedgespreide kruin, de cana, die fier haar waaiervormige bladertrossen omhoog heft, en een zeer slanke palmsoort, de juraguana, die rank en puntig als een ijzerdraad omhoogschiet.

Het overtrekken van een rivier in een zoogenaamde “volanta”.

Het overtrekken van een rivier in een zoogenaamde “volanta”.

In de tabaksplantages staan de frischgroene planten in geregelde rijen geschaard, en daarnaast prijkt het teere lichtgroen van het suikerriet. Ook maïs en andere graangewassen worden verbouwd, zoowel als groenten en tomaten. Ik zag ook een groote verscheidenheid van grassoorten; de paral in de lagere, de guinea in de hoogere streken; de millo, een soort riet en de pitilla, een zeer fijn gras, dat in de savanna groeit.

In de bosschen der laagvlakte tieren ceders, mahonie-, ebbenhout en campêcheboomen; in de bergen veel varens en bamboesoorten. In het dichte kreupelbosch vond ik de cupey, een soort klimop, terwijl zich op open plekken hier en daar een zeer [158]merkwaardige boom vertoonde, de ceiba, met een hoogen, effen, gladden stam en een breedvertakte kruin, die bedekt is met woekerplanten. Zelfs in de dorste streken groeit struikgewas, zooals de paratejos en vacabueys, met stekelige bladeren. Kokos, mango- en oranjeboom groeien in vruchtbaarder bodem, terwijl kweekerijen worden aangelegd van ananas, bananen, koffie- en cacaoboomen, en van geneeskrachtige kruiden.

Die overvloedige plantengroei is niet alleen aan de gesteldheid van den grond, maar ook aan een uiterst gunstig klimaat toe te schrijven. Ten eerste valt in October en April rijkelijk regen, en is de lucht in de andere maanden van het jaar verzadigd van vocht; ten tweede wisselt de temperatuur in de bergen tusschen 11° en 28°, en in de vlakten tusschen 13° en 40°. De winter, die van October tot Mei, en de zomer, die van Mei tot October duurt, verschillen niet veel in warmte. In het laatste jaargetijde stijgt de thermometer tot ongeveer 33°; doch des avonds valt dan ook meestal regen, die de lucht afkoelt. Gedurende den winter waait de wind uit het Noorden, en in den zomer wisselt een zachte Zuidenwind (virason), die van 10 tot 3 uur overdag waait, af met een lichte bries uit het Noorden (di tierra) die des avonds om acht uur opsteekt en des morgens om drie uur gaat liggen. In December en Januari daalt de thermometer, bij droog weder, niet onder 9°. Deze ligging tusschen zeewinden, uit het Noorden en het Zuiden, draagt ertoe bij, de lucht hier bijzonder gezond te doen zijn. Ook wordt de zuiverheid der atmospheer bevorderd door de aanwezigheid van een menigte gieren, zwarte vogels met rooden hals, welke zich voeden met allen afval, die anders de lucht verontreinigen zou.

De kleine rieten hutjes, die overal in Cuba in het veld verspreid staan, geven het land een schilderachtig voorkomen. Het boerenhuis, bohio genaamd, bestaat uit twee vertrekken, die door gevlochten palmwanden gescheiden zijn; het dak is met bladeren gedekt. Van buiten ziet zulk een gebouwtje er niet zeer stevig uit; maar van binnen is het zeer behagelijk ingericht. Al is de keukenhaard wel wat primitief, in de slaapkamers zijn de muskieten-gordijnen om de bedden met bevallige zwier geplooid, en in het woonvertrek prijkt dikwijls een moderne naaimachine. Daar het bouwen van zulk een huisje niet meer dan 25 pesos, of honderd francs behoeft te kosten, verhuizen de bewoners zonder veel bezwaar, om zich op een andere plantage opnieuw in te richten.

De bewoners van het platteland zijn huiselijk van aard; waarschijnlijk een gevolg van reactie na de lange jaren van onrust en oproer, toen overal de indringers moesten worden geweerd. Thans genieten deze lieden dubbel van het rustige besef hunner veiligheid.

Omtrent het begrip arbeid huldigt men hier geheel andere opvattingen dan in Europa. De bewoner van Cuba werkt niet harder dan volstrekt noodzakelijk is; en de vruchtbaarheid van den bodem is zoo groot, dat de landbouwer eigenlijk gedurende acht maanden van het jaar niets behoeft uit te voeren. Wat hij verbouwt verkoopt hij zelden, doch indien dit eens gebeurt, weet hij er een aardig voordeeltje aan te behalen. De verkregen winst is echter spoedig weer gevlogen; want geld uitgeven en inkoopen doen is de geliefkoosde bezigheid van mannen en vrouwen beide. Uren brengen de boeren ook door in café’s, waar zij domino, kaart, schaak en biljart spelen, en praatjes maken in ’t oneindige. Want de Cubanen zijn eerste babbelaars, en alsof ze voor tijdverdrijf nog niet genoeg hebben aan het zingen van smachtende en dartele liedjes, aan guitaar en mandoline, aan wals en danzon, vullen ze een groot aantal ledige uren met hun aanhoudend gebabbel. De eindelooze woordenstroom wordt slechts nu en dan afgebroken door de gebruikelijke uitroepen: que tal que va, hombre, regular, en Ave Maria purissima. Tijdens mijn verblijf te Cuba hield de politiek en de schadevergoeding, uitgekeerd aan de voormalige strijders voor ’s lands vrijheid, voornamelijk de gemoederen bezig.

Over geldelijke aangelegenheden maken zij zich uiterlijk nog al warm; maar in den grond nemen zij die zaken toch niet zwaar op.

Werken is dan ook eigenlijk overbodig voor lieden, die niets noodig hebben dan een Panamahoed, dien ze jaren achtereen dragen, eenvoudige linnen kleeding en het voedsel dat hun stukje grond in overvloed oplevert, terwijl de dagelijksche uitgaven van een geheel gezin niet meer bedragen dan vier francs. Ik spreek natuurlijk slechts van de bevolking op het platteland, die een gemakkelijk leventje leidt, nooit haast heeft, en alles liefst maar uitstelt tot morgen. “Manana!” zeggen zij.

Van paardrijden houden zij bijzonder veel. Telkens ontmoet men in ’t wit gekleede ruiters, met hun Panamahoed en de guayavera, een soort van fijn geplooid hemd, met zakken, dat in geheel westelijk Cuba gedragen wordt. Zij zitten zeer goed te paard, op hun zadel met ronden knop, en met de voeten in stijgbeugels, die van voren met leer zijn bekleed. De paarden hebben een eigenaardigen gang, die geen draf en geen galop is, maar een geregeld sukkeldrafje, waarbij ze zich zoo zacht en gelijkmatig voortbewegen, dat de ruiter, naar men zegt, een vol glas water in de hand kan dragen, zonder een druppel te storten. Die cubaansche paardjes zien er soms bemodderd en ontoonbaar uit; maar kunnen verbazend lange afstanden afleggen; altijd wanneer men ze behoorlijk rust gunt in de stations of herbergen, die op geregelde afstanden langs de wegen zijn geplaatst.

De meest voorkomende van deze inrichtingen is de bodega, een soort van open tent, met een toonbank, waar wijn, bier, vruchten etc. te krijgen zijn, en waar men rusten en iets gebruiken kan. Op de vaste pleisterplaatsen zijn uitgebreider inrichtingen van dien aard, die tienda mixta heeten, en waar bijv. ook kleedingstoffen worden verkocht, of zelfs wel meubelen en toilet-artikelen. In het laatste geval draagt zulk een magazijn den naam van almacen; de klanten zitten er op tabouretten en worden geholpen door bedienden in hemdsmouwen. Dergelijke winkels vindt men echter alleen in vrij belangrijke plaatsen.

De steden en dorpen zien er aantrekkelijk uit; de wit en blauw geschilderde huisjes geven een frisch en levendig aanzien. De hoofdstraat is meestal een met gras begroeide rechte laan, zonder plaveisel, en dus, als het regent, onbegaanbaar voor de voetgangers, [159]die dan maar een heenkomen moeten zoeken onder enkele planken afdakjes, die ter beschutting zijn aangebracht en behooren tot de deftigste huizen, welke toch altijd met riet gedekt zijn. Is zulk een gebouwtje een hôtel, dan staan onder dat afdak gedekte tafeltjes, dikwijls door wijnvlekken ontsierd, en in de slaapkamers, door lage beschotten gescheiden, gewone veldbedden met een zeildoek bespannen.

In de kleine steden dragen de rechthoekig elkaar kruisende straten fraai klinkende namen van vrijheidshelden, Marti, Maceo, Gomez ... Daar is dan ook de hoofdstraat geplaveid en het marktplein versierd met palmen en bloemperken. Druk is het in die kleine plaatsjes altijd; over dag verdringen zich ruiters en rijtuigen, soms met ossen bespannen, want de bewoners zijn verbazend lui, en zullen geen voet verzetten als het eenigszins te vermijden is. Des avonds is de straatverlichting (door gas of electrisch licht) zeer voldoende.

Het opstandelingen-leger.

Het opstandelingen-leger.

Nog eer de kerkklokken het Angelus hebben geluid, beschouwt men hier het dagwerk als afgedaan; de heeren liggen languit te rusten in hun fauteuil; de dames spelen nog een uurtje piano, eer het tijd wordt naar de komedie te gaan. Want in den schouwburg is altijd iets te zien of te hooren, dank zij de vele reizende muziek- en tooneelgezelschappen. Ook trekken wel tien of vijftien circustroepen het land door, die vooral onder de zwarte bevolking grooten opgang maken. En dan, niet te vergeten, de steeds zich herhalende bals en danspartijen, waarvan de jeugd gretig gebruik maakt, en waarbij een menigte billets-doux worden gewisseld, die na de thuiskomst worden gelezen en genoten.

Op het land echter is men niet zoo afkeerig van zich eens te verplaatsen, als in de stad. Ondanks het gebrek aan paarden en muilezels, waarvan het aantal in de jaren van oorlog zeer verminderd is, doen de Cubanen toch zeer dikwijls lange tochten te paard. Een vreemdeling kan hier voor een centen, d.i. 26.40 francs, plus omstreeks zes francs per dag voor voedsel en verzorging, een paard huren.

De weinige wegen, die het eiland doorsnijden, bieden heerlijke, afwisselende uitzichten aan en zijn beplant met schaduwrijke boomen. De weg van Cotorro naar San José de las Lajas is bijv. over een lengte van veertien kilometer door prachtige laurierboomen begrensd. Doch deze weg is, behalve die van San Cristobal, eigenlijk de eenige in de provincie Havanna die voor voertuigen berijdbaar is.

Behalve deze schaarsche verkeersmiddelen vindt men in Cuba niet anders dan de meest primitieve voetpaden, die door velden en akkers, of door bosch en struikgewas slingeren. Rivieren moet men doortrekken op de plaatsen waar zij ’t gemakkelijkst doorwaadbaar zijn. En de bodem is natuurlijk, al naar het jaargetij, niet anders dan dik stof, of taai slijk, om niet te spreken van de plekken, waar scherpe rotspunten het gaan nog bezwaarlijker maken.

Het is jammer, dat het land in dit opzicht zoo achterlijk is gebleven. Voor vijf jaren besloeg het net van wegen slechts 256 kilometer, en dat der spoorwegen 1505 kilometer, terwijl verschillende lijnen, halverwege voltooid, aan hun lot waren overgelaten. Door tusschenkomst van Amerikanen werden in vier jaren 150 kilometers wegen hieraan toegevoegd, en bovendien een spoorweglijn van 542 kilometer aangelegd van Santa Clara naar San Luis. [160]

Maar er blijft nog veel te doen over. Plannen bestaan, om 4053 kilometer wegen te laten aanleggen, die in veertien jaar gereed zullen zijn. Het werk wordt echter vertraagd door gebrek aan middelen. Het blijft bij plannen beramen, en misschien zal het nog lang duren, eer Cuba in het bezit is van behoorlijke verkeerswegen, waarop trouwens de landelijke bevolking, aan den tegenwoordigen toestand gewend, niet eens zeer nadrukkelijk aandringt.

Een ouderwetsch vervoermiddel, dat nog in het geheele eiland wordt gebruikt, is de volanta, een houten bak, met laag uitgesneden zijden, een vertikale voorplank en een lage, breede achterbank, beschermd door een zware leeren kap. Dat gevaarte is met riemen op een los onderstel met zeer hooge wielen bevestigd, om zoodoende den reiziger eenigszins te vrijwaren voor de geweldige schokken, waaraan het voertuig is blootgesteld door de oneffenheid van den bodem.

De societeitszalen zijn ruim en gemakkelijk ingericht.

De societeitszalen zijn ruim en gemakkelijk ingericht.

De guagua is een lang soort tentwagen, die aan alle zijden goed overdekt is, en waarin men voor slecht weder dus wel is beschut; maar men komt er slechts heel langzaam mee voort, ondanks het vijftal paarden of muilezels, die het toestel trekken.

Men zou de cubaansche spoorwegen te veel eer bewijzen, als men ze met den naam van spoorwegnet betitelde, want zij beslaan met elkander niet meer dan 2371 kilometer. Toch behooren zij aan veertien maatschappijen van verschillende nationaliteit, cubaansche, spaansche, engelsche en amerikaansche. Tusschen de steden en de omliggende plaatsjes komen en gaan de treinen omstreeks driemaal per dag, op het land éénmaal daags, en in het binnenland slechts twee of driemaal in de week. De locomotieven en spoorwegrijtuigen zijn al zeer primitief, en alleen op de westelijke lijn, van Pinar del Rio en op de oostelijke, van Santiago, is voor eenig comfort gezorgd; wat echter nog niet heel veel wil zeggen. Want op de laatste lijn, die 869 kilometer lang is, staan in de groote sombere waggons niet anders dan houten of matten stoelen, en een paar draaibare rieten leunstoelen, waarin men het landschap op zijn gemak kan waarnemen. Door Havanna, Matanzas, en Santa Clara rijden bespottelijke ouderwetsche locomotieven, met eertijds roode en groene, vervelooze kasten van waggons, waarin de reizigers onbarmhartig worden heen en weergeschud. Komt men in minder dichtbevolkte streken, dan wordt het nog veel erger; als station doet daar dikwijls een planken loodsje dienst, of zelfs een oude spoorwegwaggon. Het is ieder geraden, zijn biljet met amerikaansch geld te betalen; geeft men spaansche munt, dan krijgt men zijn kaartje eerst na langdurige berekeningen van den beambte aan het loket.

In de coupés zitten blanken, creolen, mulatten en negers broederlijk bijeen. Onder de reis worden u door kooplieden fransche romans ter lezing aangeboden, en aan de stations, waar de trein stilhoudt, wordt men overvallen door troepen kleine negerjongens met couranten, bananen, chinaasappelen, suikerriet, mango’s, meloenen, kokosnoten, geconfijte vruchten, guava-gelei, koekjes, verfrisschende dranken van allerlei kleur, die gaseoza worden genoemd, en cigaren; dikwijls ook bontgekleurde vogeltjes, en bouquetjes gardenias. Intusschen vallen bedelaars u lastig met hun gejammer, en als er dan nog muziek bijkomt, is het aan de stations een leven als een oordeel. Daar het reizen per spoor zeer duur is (14 centimes per kilometer) doet men het verstandigst, zich, als het maar eenigszins kan, van een ander vervoermiddel te bedienen.

Gelukkig doen de stoombooten te Cuba de meeste belangrijke plaatsen aan. Op de lijst der stoomvaartmaatschappijen staan aangegeven:

1. Twee wekelijksche diensten naar de noordelijke en zuidelijke havens der westelijke provincie.

2. Twee wekelijksche diensten naar de noordelijke havens der oostelijke provinciën.

3. Een wekelijksche dienst, en een andere, tweemaal per week, naar de zuidelijke havens der oostelijke provinciën.

Er zijn vijf stoomvaartmaatschappijen, twee cubaansche, een spaansche, en twee amerikaansche. Zeer druk is het verkeer met de Vereenigde Staten; dagelijks varen stoombooten naar Keywest; om den anderen dag naar Tampa en Mobile; tweemaal ’s weeks naar New-York; viermaal ’s weeks naar Jamaica; tweemaal in de maand naar Haïti en Porto-Rico; en eens per maand naar Frankrijk, Spanje en Duitschland; terwijl Liverpool wordt aangedaan door de koopvaardijstoomschepen. [161]

Het bevochtigen der bladen tabak.

Het bevochtigen der bladen tabak.

Nog slechts voor kort zijn nauwkeurige kaarten vervaardigd van het uitgestrekte eiland. De verbindingen met het binnenland waren gebrekkig, en de bewoners kenden zelf de grenzen niet van hun eigendom. Onder het spaansche bewind vergenoegden zich de beambten met een bepaald punt op het papier vast te stellen, en daaromheen een willekeurige oppervlakte te teekenen van eigen vinding. Zoodoende ontstond een denkbeeldige verdeeling van den grond, die in de verte niet met de werkelijkheid overeenkwam, waardoor natuurlijk herhaaldelijk processen ontstonden, die thans nog voortduren. In 1898 werd voor het eerst, door toedoen van Amerikanen, een kaart van het geheele land gepubliceerd, op een schaal van 1/500 000; nadat reeds een uitvoerig ontwerp was verschenen op 1/132 500, vervaardigd door den Cubaan Pichardo, die het werk van een honderdtal landmeters had verzameld en geschift. Thans zal binnenkort een volledige kaart verschijnen, opgemaakt door de cubaansche regeering naar gegevens, haar verstrekt door ambtenaren van de afdeeling publieke werken, aan wie de kadastrale opmeting van den bodem is opgedragen. Langzamerhand worden, met behulp van ingenieurs van alle nationaliteiten, de vroeger begane fouten verbeterd. Indertijd vond men het voldoende, alleen de kustlijn getrouw weer te geven, en de opmeting van het binnenland aan onbevoegden over te laten; hoewel toch de oudste eigendomsconcessie reeds van 1514 dateerde.

Het eiland Cuba heeft een oppervlakte van 118 832 vierkante kilometer, een lengte van bijna 1230 en een breedte van 40 tot 200 kilometer. De bevolking bedroeg in 1775, 171 620 zielen; in 1841, 1 007 624, in 1887 1 631 687, in 1899 1 572 797, in 1903 1 653 486, en dit getal is thans nog aangroeiend.

Deze bevolking bestaat uit 1 052 497 blanken, 505 443 negers of mulatten, en 14 857 chineezen. De verhouding tusschen beide seksen is ongeveer gelijk. Slechts 40 percent der bewoners leven van handenarbeid. Zij zijn verdeeld over 83 gemeenten, gelegen in zes provinciën, waarvan de kleinste, maar dichtstbevolkte Havanna is.

De provincie Havanna is ongeveer 57 kilometer breed en 107 kilometer lang. De helft van deze oppervlakte, ’t zij heuvelachtig of vlak, is met bosch bedekt.

Op mijn eerste uitstapje buiten de stad in oostelijke richting, vertrok ik van het station Villanueva. De trein stoomde langzaam door een drukbevolkte wijk, en daarna sneller langs den botanischen tuin en de Quinta de los Molinos. Weldra bespeurden wij aan de verspreide palmen en het dichte struikgewas, dat wij de stad achter ons hadden gelaten, en kort daarna hielden wij stil, eerst bij het vroolijke dorp Campo Florido, en toen te San Miguel, een plaatsje waar zeer veel suikerriet wordt verbouwd. Jaruco, dat van het begin der vorige eeuw dagteekende, is sedert den 18den Februari 1896, toen de opstandelingen er 136 huizen verwoestten, eigenlijk een bouwval gebleven. Doch de heerlijke omstreken, waar cactus, palmen en kokosboom welig tieren, zullen wel weder nieuwe bewoners lokken naar het plaatsje, dat nu slechts 1700 inwoners telde. Verder spoorden wij langs het dorp Bainoa, met zijn houten kerkje, gelegen te midden van bananenplantages en suikerrietvelden, en daarna volgde Aguacate, een aardig plaatsje van 6000 inwoners. Aan den horizon zagen wij thans lage heuvels verrijzen, en door fraaie bosschen en langs begroeide hellingen [162]zetten wij onzen tocht voort naar Madruga, liet einddoel van dit uitstapje, op 87 kilometer afstand van Havanna gelegen, een allerbekoorlijkst plaatsje met zijn hellende straten, zijn square, en het hoog gelegen hotel, waar men van de veranda een uitzicht heeft als op een belvedère. De 2000 inwoners beklagen zich zeer over het nadeel, dat de oorlog hun heeft toegebracht. Zij zouden echter een aanzienlijk voordeel kunnen trekken uit een minerale bron van een temperatuur van 27°, die hier in de nabijheid ontspringt en in 1866 het eigendom van de gemeente is geworden; terwijl een heuvel, vlak daarbij gelegen, de Jiquima, zeer geschikt zou zijn voor de oprichting van een Sanatorium. Men heeft van daar een prachtig uitzicht op de heuvels van Grillo en Industria. Op de Jiquima was ook een monument opgericht voor 46 Cubanen, die hier waren gesneuveld.

Bij het volgende uitstapje, dat ik maakte, ditmaal in een zuidelijke richting, van Havanna uit, maakte ik gebruik van de guagua, en had door dit vervoermiddel gelegenheid, beter al de bijzonderheden van een der schoonste wegen op Cuba te kunnen waarnemen. Eerst kwamen wij door het dorp Luyano, omringd door weiden met grazend vee; daarna bereikten wij door een boschrijke vallei het dichtbelommerde San Francisco de Paula, en vervolgens een tweede dorp, Cotorro. Na het verrukkelijk gelegen gehuchtje Cuatros Caminos liep de weg twee uren lang tusschen de prachtigste laurierboomen, terwijl aan beide zijden een heerlijk landschap zich uitstrekte van lachende velden en weelderig groen. Wij kwamen hier veel karretjes met melk en bananen tegen. Wel honderdvijftig van die voertuigjes, elk beladen met tweeduizend liter melk, of groote hoeveelheden bananen, komen elken morgen aan in Havanna, na van het dorp José de las Lajas een nachtelijken tocht te hebben volbracht van 26 kilometer. Ik rustte uit van den langen rit in een zeer goede herberg te Campamento Cubano, een plaatsje van twee duizend inwoners, dat een zeer welvarenden indruk maakte. Om zes uur begaven wij ons weer op weg, en trokken door velden van bananen, suikerriet, maïs en tabak naar Loma Candela, een plateau, waar men een uitzicht heeft over een twintig kilometer breede vruchtbare vallei, die zich uitstrekt tot aan de zee, welke men van hier flauw kan onderscheiden. Guines, het volgende plaatsje waar wij stilhielden, scheen mij een modelstadje toe. Ik vernam, dat een der bewoners, Francisco Arango y Parreno, er twee en dertig scholen had opgericht. Dat getal scheen wel wat groot voor een kleine stad, doch de toedracht der zaak werd mij duidelijk, toen ik hoorde, dat gebrek aan de noodige ruimte de oorzaak was geweest, dat de leerlingen in een zoo groot aantal verschillende lokalen werden geborgen. De vruchtbaarheid van den bodem is hier verbazingwekkend. Geregeld tweemaal in het jaar wordt er geoogst. Vooral tomaten worden hier in groote hoeveelheid verbouwd, en jaarlijks worden 200 000 kisten van deze vruchten verzonden. Zestig van Cuba’s grootste grondeigenaren zijn Amerikanen, die een levendig handelsverkeer onderhouden met de Vereenigde Staten, al laten zij inlandsche arbeiders werken op hun bezittingen. Door de toenemende belangrijkheid van dit bloeiende plaatsje scheen er sprake van te zijn, dat het door middel van een kanaal met de zee zou worden verbonden. Van het goedgebouwde station ging hier een lijn naar het zuidwesten, door suikerrietvelden en palmbosschen, waartusschen witte huisjes lagen verstrooid, naar de dorpen San Nicolas, Vegas en Palos. Toen wij dertig kilometer van Guines en honderdtwee kilometer van Havanna waren verwijderd, moesten wij terugkeeren, als wij ons vooraf vastgesteld reisplan wilden volgen en nog eenige van de mooiste punten in oogenschouw zouden nemen. Meer en meer bespeurden wij, dat wij ons van de beschaafde streken verwijderden, de omgeving werd steeds schilderachtiger, maar ook landelijker, tot wij eindelijk ophielden in het armoedige plaatsje San Felipe, waar ik een onrustigen nacht doorbracht, daar een luidruchtige troep acrobaten van een reizend circus den geheelen nacht aan het rumoer maken was in een aangrenzend vertrek, zoodat ik geen oog dichtdeed.

Toch vertrok ik reeds weder den volgenden dag, na mijn terugkomst te Havanna, van het station Villanueva, om thans een tocht naar het noordwesten te ondernemen, waar ik de suikerrietvelden en de fabriek van Toledo bezichtigde, en het hospitaal van Mazorra, waar ook krankzinnigen worden verpleegd. Door de vlakte van Rincon spoorden wij verder langs San Antonio, een plaatsje van 8178 inwoners, dat een kerk met twee torens, een grot, en een badinrichting rijk was, Ceiba, een middelpunt voor verschillende culturen, en Guanajay, een schilderachtig stadje met oude huizen, waarvan echter ook vele in den vrijheidsoorlog waren verwoest.

Thans bleef mij nog slechts een laatste onderzoekingstocht over, ditmaal naar het zuiden. Weer strekten zich naar alle zijden de velden uit van tabak en suikerriet, maïs, mango- en banaanboomen, tot wij stilhielden bij den heuvel van Cacahual, waar Maceo en Gomez begraven liggen. Béjucal, het volgende plaatsje, heeft rechte, breede straten en een aardig marktplein met palmen beplant, waarop een standbeeld van de Gerechtigheid prijkt. In de gezellig ingerichte club, het Liceo, woonde ik een zeer merkwaardige vertooning bij. Een der inwoners, een dokter, die veel artistieken aanleg bezat, had een ballet laten instudeeren door zestien jongens en zestien meisjes, de eerste, verkleed als russische soldaten, met hun sabels manoeuvreerende, en de laatste als japansche geisha’s, zwaaiend met haar parasols. Het stadje, dat slechts zesduizend inwoners telt, bloeit zeer door de tabaksfabrieken en kweekerijen van vruchtboomen.

Te midden van de liefelijkste natuurtooneelen zette ik mijn tocht voort tot aan het eindpunt, dat ditmaal aan zee was gelegen, Batabano Surgidero, een plaatsje van vierduizend inwoners, dat voornamelijk zijn welvaart te danken heeft aan de visscherij, vooral van sponzen, die hier in groote menigte worden aangetroffen.

De geheele kust van Cuba, zoowel in het noorden als in het zuiden, is verbazend rijk aan verschillende sponzensoorten.

Daar men vroeger bij de vangst zonder eenigen regel of overleg te werk ging, en hierdoor veel [163]voordeel liet verloren gaan, is thans bepaald, dat op de Noordkust de visscherij van 1 Maart tot 31 Mei moet worden gestaakt tusschen Cardenas en Nuevitas, en op de Zuidkust tusschen San Antonio en Cienfuegos. Op de ondiepe plaatsen worden sponzen gevonden van acht centimeter doorsnede, doch op twintig meter diepte treft men kolossaal groote exemplaren aan, soms wel tot een doorsnede van vijfenzeventig centimeter.

Om de sponzen los te maken, begeven zich twee personen in een kleine boot, een van de twee ligt plat op den buik in den achtersteven en heeft in de linkerhand een emmer met doorzichtigen bodem, die de weerkaatsing van het water in de diepte laat waarnemen, en in de rechter een langen stok met een haak, waarmede hij de sponzen van den bodem losmaakt, en naar boven haalt. Deze visscherij kan slechts plaats hebben bij stil weer, wat trouwens regel is te Cuba, waar de zee slechts bewogen wordt door zuidwestewinden en door stroomingen, veroorzaakt door rivieren die zich in zee uitstorten.

Honderdvijftig booten worden voor deze visscherij gebruikt. Zij doen tochten van veertig dagen en zijn bemand met zeven matrozen, terwijl ook een of meerdere eigenaars zich aan boord bevinden. Gemiddeld brengt de vangst van elk dezer booten omtrent 2500 francs op, waarvan een vierde het onderhoud der bemanning bekostigt, en de helft besteed wordt aan hun loon. Het overblijvende vierde deel is de winst van den eigenaar.

De tien of vijftien opkoopers (compradores) verdienen ongeveer 800 francs in de maand. Zij hebben hun eigen lokaal, waar de sponzen worden gekeurd en geprijsd, en dikwijls ziet men ’s morgens tusschen halfzeven en tien een geheele straat vol liggen met partijen sponzen van 50 tot 200 dozijn, die van 150 tot 2000 francs waard zijn. Drie dagen worden de sponzen in de zon gedroogd, en dan weggeborgen, om naar grootte en kwaliteit te worden gesorteerd. De natuurlijke gaan naar Engeland en Frankrijk; in Amerika, Spanje, Rusland en Griekenland geeft men aan de gebleekte de voorkeur. Vele handelshuizen verzenden jaarlijks voor 130 000 tot 780 000 francs aan sponzen, terwijl de prijzen sedert 1903 nog voortdurend stijgende zijn.

In een kleine havenplaats aan de zuidkust van het eiland begaf ik mij op een morgen aan boord van een wit stoombootje, dat zachtjes door het stille water gleed. Voor ons strekte zich de effen, zonnige zeespiegel uit, hier en daar zoo doorschijnend helder, dat men diep tot op den bodem kon zien. Voor drie kwart is Cuba omringd door een zeer ondiepe zee, tot op vijfentwintig, of zelfs vijftig kilometer van de kust.

Rondom het groote eiland liggen dan ook een buitengewoon groot aantal kleinere; in ’t geheel ongeveer 950; waarvan 230 tegenover het midden der kust aan de noordzijde liggen. Vier daarvan, Romano, Coco, Turiguano en Guajaba zijn zeer langgerekt van vorm. Vijftig andere eilandjes, die te samen de Colorados genoemd worden, bevinden zich aan de westkust. Aan de zuidkust liggen tweehonderd eilanden, die twee groepen vormen, het Perk der Koningin en het Labyrinth der twaalf Mijlen genoemd. Toen wij een nauwen doorgang waren doorgevaren, tusschen de eilandjes Mal Païs, Buena Vista, Redondo en Cruz, kwamen wij eindelijk in open zee, en kregen anderhalf uur geen land in het gezicht. Daarna echter rezen opnieuw groene kusten op, en wij naderden een archipel van tachtig kleine eilanden. Weldra zagen wij een in nevelen gehulde lage bergreeks verrijzen, waarin zich langzamerhand zes toppen duidelijker afteekenden. Daarvoor strekte zich een vlakte uit. Dit was het Pijnboomeneiland. In negen uren hadden wij den overtocht van 142 kilometer afgelegd. Onze boot voer een rivier met dichtbegroeide oevers op, en legde aan bij een oud gebouwtje, het station Jucaro.

Het Pijnboomeneiland is 52 kilometer lang, van het noorden naar het zuiden gemeten, en 72 kilometer van het oosten naar het westen. ’t Is een zeer merkwaardige streek. Het landschap, de bewoners, alles droeg er een eigenaardigen stempel. De bodem is er schraal en vertoont weinig plantengroei op zijn zandige en steenachtige vlakten, waaruit zich hier en daar kalkrotsen verheffen. Op sommige plaatsen worden marmeraderen aangetroffen, en uit diepe grotten ontspringen bronnen, die rijk zijn aan ijzer en magnesiumzouten.

Twee kleine heuvelreeksen, die evenwijdig loopen, doorsnijden het eiland, en enkele toppen daarin bereiken een hoogte van vierhonderd meter. De lucht is er zuiver en droog, en vol van den heerlijken geur der dennenbosschen, en de temperatuur is er zeer gematigd.

Verbazend veel Amerikanen komen zich hier metterwoon vestigen. Ik hoorde, dat in den laatsten tijd 3000 nieuwe bewoners naar deze streken waren verhuisd.

De havenplaats en meteen de miniatuurhoofdstad van het eilandje is Nueva Gerona, met een kerk en een goed hôtel, dat echter niet druk bezocht was. De gezonde ligging en de nabijheid van een warme alkalische bron, die magnesiumzouten bevat, zullen het aantal inwoners, dat thans 500 bedroeg, wel spoedig doen stijgen. De verkoop van het land in kleine stukken trekt ook veel vreemdelingen naar deze streken. Stukken grond van 13½ H.A. zijn verkocht voor honderd dollars, als de bodem schraal was; voor tweehonderd, tot soms duizend dollars, waar het vruchtbare plekken gold, in de buurt van rivieren en heuvels gelegen. Een vereeniging “the Isle of Pines Company”, die een trust heeft gevormd met de “Fruit and Vegetables growing Association” heeft voor twee millioen dollars zich het bezit der beste stukken gronds verzekerd. Ik hoorde, dat een kooper, een voormalig directeur van een amerikaansch blad, een concessie had verworven van negenhonderd hectaren grond voor ooftkweekerij.

Een ander voorbeeld kan den lezer een denkbeeld doen vormen van de uitgaven, die een bescheiden onderneming van dien aard vereischt, en de winst, die zij kan afwerpen. Ik bezag o.a. een bezitting, 13½ H.A. groot, waarvan de eigenaar 28 bijenkorven hield, jaarlijks 3000 ananassen en 7000 tomaten oogstte, en een kweekerij bezat van 300 grootere en 2500 jonge oranjeboomen, welke laatste weldra vrucht zouden dragen. Hij was een flinke, [164]voortvarende man, die na drie jaren arbeids de gemaakte onkosten, op 3650 francs na, reeds had teruggewonnen.

Zijn honig had hem 1040 francs opgebracht, zijn ananassen 1560 francs, de tomaten 8320 fr., en een paard, dat hij kon missen, had hij verkocht voor 520 francs. Zijn inkomsten hadden dus in die drie jaren 11 440 francs bedragen.

Daartegenover stonden de uitgaven, die in het geheel beliepen 15 090 francs. Hiervan waren besteed: 130 francs voor onkosten van aankoop, 21 francs belasting, 520 fr. voor den grond; 1560 francs aan ijzerdraad voor omheiningen, 1560 fr. arbeidsloon; 780 fr. voor werktuigen; 625 fr. voor twee wagens; 1040 fr. voor twee paarden; 2490 fr. voor het onderhoud dezer dieren; 520 fr. aan hout; 260 fr. voor meubels en gereedschappen; 40 fr. voor correspondentie; 52 fr. voor een keukenkachel; 3754 fr. en 156 fr. respectievelijk voor voedsel en kleeding van twee personen.

In het volgende, dus het vierde jaar, zou nu voor het eerst de eigenlijke verdienste beginnen. Toch had de eigenaar zelf zijn huis gebouwd, zoowel als de bijgebouwen en den put, en zijn vrouw hielp hem naar haar beste vermogen. Zij waren erop bedacht, zoo zuinig mogelijk te zijn; en toch waren geen van beiden aan dit soort leven gewend, want hij was décorateur en stoffeerder geweest in Boston, en zij was de weduwe van een duitsch officier. Zij werkten verbazend hard en pakten bijv. zelf hun tomaten in, in den maneschijn. De vrouw bakte n. b. ook nog brood en koekjes, die veel aftrek vonden in de buurt, en hielp zoodoende nog hun inkomsten vergrooten. Nadat ik die aardige kleine kolonie, Riverside genaamd, had bezichtigd, vond ik geen der andere bezittingen, die ik later in oogenschouw nam, zoo aantrekkelijk meer.

Een tabakverkooper.

Een tabakverkooper.

Santa Fé, een dorp van 400 inwoners, bezit twee ijzerhoudende bronnen, een alkalische en een warme bron van 32°. In zijn omlijsting van mangoboomen en altijd groene dennen maakte het een schilderachtigen indruk. Voor kort was er dan ook een soort van winterverblijf opgericht, en in de omstreken woonden wel 600 Amerikanen, die hierheen waren gekomen na het tractaat van Parijs, waarbij het eilandje als amerikaansch grondgebied was verklaard, hoewel het later weder aan Cuba werd afgestaan. Zoolang niet beslist was, aan wien het zou toebehooren, was het kleine Pijnboomeneiland er treurig aan toe, daar de uitvoer van zijn producten door deze onzekerheid werd belemmerd. Sedert het Congres besliste dat het aan Cuba zou worden afgestaan, bleven de amerikaansche kolonisten er wel gevestigd, doch hun uitvoer naar de Vereenigde Staten is nog niet zoo aanzienlijk, als zij wel zouden wenschen. En toch is het een bij uitstek gunstig gelegen plekje gronds, waar ooftbouw en veeteelt kunnen bloeien, terwijl er marmer, mahonie- en ebbenhout gevonden wordt.

Naar Havanna teruggekeerd, was ik zeer tevreden over den uitslag van mijn bezoek aan dit eilandje, dat aangename herinneringen achterliet. Ik bleef ditmaal trouwens slechts een nacht in de stad en ging den volgenden morgen reeds weer op reis. Van het station Cristina vertrok ik per trein naar Jesus del Monte, in de westelijke provincie gelegen.

Bij Calabazar reden wij over een hooge spoorbrug. Het volgende station, Santiago de las Vegas, is een der middelpunten van de tabaksindustrie. De stad telt 7151 inwoners. Ik zag in ’t voorbijgaan de kerk met twee torens, en aardige huisjes met verandas. Daarna spoorden wij door een vlakte, beplant met maïs, tabak, suikerriet (voor de fabriek Fajaldo) en prachtige palmen, onder welker schaduw de liefelijke dorpjes Guira en Alquizar waren gelegen. Daarop volgde dicht struikgewas, waartusschen zware ceiba’s verspreid stonden, en een bosch van slanke palmen. Wij waren hier 71 kilometer verwijderd van Havanna, aan het begin van de groote landtong, die in het Spaansch Vuelta Abajo (Lage Bocht) heet, en die aan liefhebbers van rooken waarschijnlijk bij name bekend is.

De Vuelta Abajo is 38–75 kilometer breed en 265 kilometer lang. De lichte, roodgekleurde bodem is er kiezelachtig, met kwarts en ijzer vermengd. In het zuiden is de grond vlak, in het noorden verheffen zich heuvels tot op een hoogte van omtrent 300 Meter. Zij is omgeven door een dertigtal rivieren, waarvan de grootste, de Cuyaguateje, honderd kilometer lang is. De zeekust is er vol diepe inhammen, behalve aan de uiterste punt van het schiereiland, Guanacahabibes, waar de kust moerassig en onbewoonbaar is. De bewoners zijn meerendeels veefokkers; 18,000 stuks vee zijn hier uit Amerika ingevoerd, en bovendien verbouwen zij tabak, waarvan de opbrengst jaarlijks 25 828 038 kilos bedraagt, een waarde vertegenwoordigend van 132 474 004 francs. Het klimaat is er vochtig en warm; de temperatuur tusschen 25° en 33°. Onder de bevolking zijn vele vreemdelingen, doch de eigenlijke inlanders zijn arbeidzaam, ernstig en doortastend van aard. In de provincie Pinar del Rio zijn gedeelten, die vroeger aan Frankrijk hebben behoord, en nog fransche namen dragen, als Souchet, Charron en Lemasne. Eertijds waren daar koffie- en suikerplantages, oranjeboomen en prachtige koningspalmen, welke onderhouden werden door uitgewekenen uit St. Domingo, die later zijn verjaagd, als wraakneming over een besluit van Napoleon, dat de spaansche kolonisatie belemmerde. Van die voormalige fransche bewoners vond ik thans geen afstammelingen meer.

De arbeiders in de sigarenfabriek worden onder het werk voorgelezen.

De arbeiders in de sigarenfabriek worden onder het werk voorgelezen.

De tabak, die in deze streken wordt verbouwd, is donker, fijn en geurig, en bevat slechts weinig [166]nicotine. Van den bodem, waarop zij wordt gekweekt, is 30 percent humus, de rest kiezel, kalk, klei en kwarts. Humus en kiezel zijn de noodzakelijke bestanddeelen, maar vormen slechts in vereeniging met de andere een geschikten bouwgrond. Deze lichte, dikwijls roode grond is blootgesteld aan een temperatuur van 25° en heeft een vochtigheidsgraad van 90 percent, door den hygrometer aangewezen, van October tot December, de tijd waarin de jonge plantjes opschieten. De tabak wordt op de volgende wijze behandeld. Na het zaaien wordt de grond tusschen de plantjes besproeid en gezuiverd, ’t geen na twee maanden slechts eens per week noodig is. Wanneer de plant goed begint te groeien, moeten de talrijke schadelijke insecten worden geweerd. Deze parasieten verdelgt men door middel van een groen poeder, Parijsch groen genaamd. Ook worden de planten wel beschermd door groote schutzeilen er over te spannen. Daar dit echter zeer kostbaar is (de bedekking van 13½ H.A. kost 40 000 francs) kan het alleen op uitgestrekte plantages geschieden. De fijn geweven stof, die hiervoor wordt gebruikt, is een soort mousseline, cheesecloth genaamd, die aan vertikale palen en horizontale latten wordt bevestigd. Het kan slechts zelden voor de tweede maal worden gebruikt, is het te veel beschadigd, dan wordt het aan de armen gegeven. In zulk een afgesloten ruimte, waar de planten voor wind en alle schadelijke invloeden zijn beschut, vereischen zij toch nog de grootste zorg. De stengels bereiken een hoogte van 2.20 tot 2.30 M. en de bladeren worden van 35 tot 70 cM. lang. Bij de kweekerij onder beschutting verkrijgt men 80 percent lange bladeren; in de open lucht 80 percent kleine. In beide gevallen valt omtrent de opbrengst van den oogst weinig vooruit te zeggen. Wat men wel vooraf kan bepalen, is het nicotinegehalte, daar dit door de kleur der bladeren wordt aangegeven, en een geringe zwelling de overvloedige aanwezigheid van dit vocht verraadt.

Bij den eersten oogst worden de stengels der eerste kwaliteit tabak tot den grond toe afgesneden. Bij den tweeden oogst snijdt men de mindere soorten van tabak. De eerste levert de groote bladeren (capas); de tweede de kleinere (tripas). Als de tabak beschut is gekweekt, moet zij na het snijden nog gedroogd worden in een daarvoor bestemde loods, de casa de tabaco. Dit is een stevig gebouwde schuur, gedekt met palmbladen, en waarvan de vensters zijn voorzien van jalouzieën met beweegbare latten. Binnen in zijn vier stapels boven elkaar geplaatste droogrekken, met 34 stokken in elk rek, waartusschen nauwe doorgangen zijn uitgespaard. In ’t geheel zijn er omtrent duizend stokken, en daar op elken stok 200 paren bladeren kunnen hangen, worden in zulk een schuur 400 000 bladeren gedroogd. Veertig dagen duurt dit proces. Zoolang de bladeren nog groen zijn, kunnen zij elke temperatuur, zelfs koude lucht verdragen; doch later worden zij zeer voorzichtig behandeld en aan verschillende warmtegraden blootgesteld, die men verkrijgt door het openen of sluiten der jalouzieën. Het kweeken van de beste soorten tabak vereischt oneindig veel zorg, en om een behoorlijke tabaksplantage te vestigen zijn een groot kapitaal en veel ervaring onontbeerlijke vereischten. Een stuk grond van 13½ H.A. toch kost ruim 7500 francs; de noodzakelijke omheining 3700 fr., en voor het bouwen van een eenvoudig woonhuis zijn minstens 7500 fr. noodig. In den regel worden van de 40 H.A. gronds er 33 H.A. gebruikt voor weiland en den bouw van andere gewassen, en slechts 7 H.A. voor het kweeken van de tabak, die een geheel anderen bodem vereischt. Voor het bewerken van dien grond alleen reeds zijn noodig: 2 paarden, tegen 1000 fr.; 8 paren ossen, 5200 fr.; 8 inlandsche ploegen, 350 fr.; 8 dito van amerikaansch model, 600 fr.; elf jukken, 300 fr.; twee wagens en een kar, 1500 fr.; een schuur voor gereedschappen enz. 500 fr.; een put, 4000 fr.; een stoomketel met reservoir en pomp, 10 000 fr.; vier kilometer buizen voor besproeiïng, 25 000 fr.; 12 000 houten latten, 3600 fr.; drie droogschuren, 15 000 fr.; en woningen voor de werklieden 3500 fr. Verder moet een inrichting van deze grootte jaarlijks 150 fr. belasting betalen; aan jonge tabaksplanten 4500 fr.; aan brandstof voor de sproeimachine 1500 fr.; loon van een machinist 2700 fr.; loon van een knecht en een kok, door elkaar 1800 fr.; het onderhoud dezer lieden kost 4200 fr, en een onderzoek door deskundigen van den oogst, dat noodig is om den prijs vast te stellen, dien de kooper zal moeten betalen, 12 500 fr.

Als de kweekerij verpacht is, moet de pachter een jaarlijksch voorschot van minstens 1200 fr. ontvangen, (altijd bij een groote plantage als boven-beschrevene); bovendien heeft hij 2250 fr. noodig, om in vereeniging met den eigenaar nieuwe planten te koopen, en 10 000 fr. voor koemest, als binnen de 40 dagen, den gewonen tijd, de planten hun vollen wasdom zullen bereiken. Daarvoor ontvangt hij dan 50 percent van den oogst, van 275 balen. Ieder van deze balen weegt 100 spaansche ponden, of 46 kilogram, en brengt 250 fr. op; dat is dus een totaal van 68 750 fr. Men kan zeggen, dat, onvoorziene omstandigheden in aanmerking genomen, een kapitaal van 250 000 fr. aan zulk een onderneming ten koste gelegd, 27½ percent afwerpt. Die uitkomsten worden verkregen na afloop van het tweede jaar, of in het gunstigste geval na 15 maanden, als men zich vestigt tusschen Januari en Maart, begint te planten in October, en van December tot Mei den oogst binnenhaalt.

Het pachtstelsel (partidario) is niet in zwang op de 120 tabaks-exploitaties van westelijk Cuba. Meerdere van deze worden door de eigenaars zelf geadministreerd. Te Guginacabo bij San Luis is een bezitting van 81 H. A., waar 40 paren ossen, en 10 muilezels voortdurend aan het werk zijn en 50 werklieden den gewonen arbeid verrichten, d. w. z. het besproeien der planten (1500 liter per uur) en het bedekken van 17 velden met cheesecloth, dat jaarlijks 100 000 fr. kost. In den oogsttijd zijn 180 mannen en 100 vrouwen bezig, met naalden, een zekere hoeveelheid bladeren op stokjes te rijgen, die in 14 schuren moeten worden gedroogd. Het opzicht over het werk moet natuurlijk verbazend streng zijn, en de eigenaar kan er dan ook voortdurend zijn oog over laten gaan, zonder zijn huis te verlaten, dat op palen is gebouwd, en dus uitnemend geschikt om [167]als observatiepost te dienen. In 15 jaren smaakt zulk een planter de voldoening, jaarlijks 2000 balen uitmuntende tabak te kunnen leveren.

Behalve de spaansche plantage Calixto Lopez, bezocht ik nog bloeiende spaansche bezittingen te San Luis, Padron, Santiago, Pinar del Rio, enz. Ook amerikaansche plantages nam ik in oogenschouw, o.a. eene te San Luis, die behoorde aan de londensche vereeniging Henry Clay, Bock en Co., welke nog meer eigendommen in deze streek bezit, en de kweekerijen der New-Yorksche “Havanna Commercial”, en “Cuban Land and Leaf Societies”. Aan het hoofd van deze exploitaties staan vier goed bezoldigde agenten, die 20 percent van den verkoop ontvangen, d.w.z. een inkomen genieten van 150 000 fr. Een dier gelukkige administrateurs, die mij zeer gastvrij in zijn huis welkom heette, deelde mij o.a. het volgende mede.

Bij een zandigen grond is een voldoende hoeveelheid water en aanwending van insectenpoeder het voornaamste vereischte, en een bescherming door schutzeilen overbodig, daar de oogst toch in den regel wordt binnengehaald voor het seizoen van wind en zon, van Januari tot Maart, een aanvang neemt. De beste tabak komt uit Corojo; uit Retiro te San Luis; uit Rio Seco en San Sebastian te San Juan: ook wordt zeer goede tabak verbouwd te Pinar del Rio en te Luis Lazo. Het allergunstigste klimaat voor deze cultuur heerscht tusschen Remates en Candelaria, op de Vuelta Abajo, en de tabak, uit die streken afkomstig, wordt door liefhebbers zeer gewaardeerd. Andere uitstekende merken zijn: Artemisa, Alquizar, San Antonio, uit de streek die Partido heet; deze tabak is licht, bevat veel nicotine en wordt voor sigaren gebruikt, die in het buitenland zeer gewild zijn.

Het totaal der opbrengst van de vier bekende streken: La Vuelta Arriba, Las Villas, la Partido en la Vuelta Abajo bedraagt 103 712 152 kilogram, in 415 891 balen. Daarvan koopen de Vereenigde Staten de eene helft, en de andere helft wordt op het eiland zelf verkocht, om in den vorm van elf millioen pakjes cigaretten en 227 millioen sigaren over de geheele wereld te worden verspreid.

De pakken tabaksbladeren worden in de fabrieken van Havanna bewerkt. In kleine plaatsen gebruiken de tabaquerias geprepareerde bladeren voor de vervaardiging van sigaren en cigaretten, maar in de stad Havanna en omstreken zijn niet minder dan 22 sigaren- en 4 cigarettenfabrieken, die het verbazend druk hebben met de bereiding der kostbare plant. Zij hebben gewoonlijk gelijkvloers een magazijn en een binnenplaats, waar de tabak wordt bevochtigd, op de eerste verdieping zalen, waar de tabak wordt gedroogd, gegist en verder toebereid, en voorts vertrekken voor het rollen, sorteeren en pakken.

Na het verloop der 24 uren, die vereischt worden om de aaneengeplakte bladeren los te maken, heeft een gewichtig proces plaats, het bevochtigen van het blad. Men doet dit door het benedenste deel der bladeren te besprenkelen en ze dan te schudden, tot het water zich over de oppervlakte verspreidt. De graad van bevochtiging hangt af van den toestand van ieder blad.

De groote bladeren (capas) blijven een of twee dagen in kisten gepakt. De tripas worden een tot drie dagen op rekken uitgespreid om te drogen, en de lichtere soorten moeten daarna van twee tot vijf weken in geperforeerde vaten worden blootgesteld aan een gelijkmatige warmte van 25–30°, en een vochtigheidsgraad van 70 à 80 percent. De juiste aanbrenging van dien graad van warmte en vocht is het geheim der cubaansche tabaks-industrie.

Waar de wasdom der plant vertraagd is door de hoeveelheid nicotine die zij bevat, kan die belemmerende werking slechts worden opgeheven te Havanna, waar bepaalde microben de nicotinedeelen omzetten in vluchtige ammoniakverbindingen.

Om sterke en fijnere, of gewoner soorten te verkrijgen, worden de bladeren, die op den zelfden tijd zijn geplukt, òf in een vat gedaan, óf met andere vermengd.

Het rollen der sigaren is moeilijk en vereischt langdurige oefening in het losrollen der kleinere bladen en het schikken van deze op een half groot blad. Voor het rollen zelf wordt, al naar de soort der sigaren, van 4 tot 15 minuten vereischt. Men begint het groote blad, de capa, te rollen aan de punt, en zorgt, dat de nerven van het blad in de lengte der sigaar loopen. De tamelijk droge, halve tripas (kleine bladen) worden gewikkeld in de vochtige capa; die zeer zacht en rekbaar is, en ten slotte wordt de gerolde sigaar met een soort gom dicht geplakt.

Dit rollen gebeurt op planken van Amerikaansch eikenhout. Op elke plank worden per dag ongeveer 75 gewone sigaren gerold, of 25 van de fijnste soort. Op 450 van deze planken kunnen dus dagelijks 4000 sigaren worden afgeleverd. Onder het werk worden de torcedores voorgelezen door een kameraad, die boven op een soort estrade is gezeten; zoodoende blijven zij op de hoogte van de politiek, en kunnen ook genieten van spaansche geschiedkundige of romantische werken.

De gemaakte sigaren worden in pakjes van vijftig verdeeld en naar den hoofdopzichter van de werkplaats gebracht, om gekeurd te worden; want de eer der fabriek is ermede gemoeid, dat zij onberispelijk worden afgeleverd.

De man, die de sigaren moet schiften naar de kleur, de grootte en de kwaliteit, heeft geen gemakkelijke taak. Hij wordt escogida genoemd, en moet buitengewoon bedreven zijn in zijn vak. Ik hoorde dat de donkere sigaren, in tinten van zwartbruin, roodbruin, groenachtig bruin en rood, bestemd zijn voor de rookers van Cuba, Zuid-Amerika en Spanje; de lichtere, zuiver bruin, met tinten die naar het geel en groen zweemen, zijn het meest gewild in Amerika, Engeland en Duitschland; naar Frankrijk worden eveneens lichtgekleurde gezonden, maar met bruinachtig gelen tint. Verder worden de sigaren onderscheiden in vier soorten: seco, jugoso, pajiso en brillo; in zestig verschillende grootten tot die van 25 c.M. lengte, die Herculesknodsen worden genoemd; en in zestig formaten, waaraan nog gedurig nieuwe varieteiten worden toegevoegd.

Elf zagerijen leveren de lichte cederhouten kistjes, waarin de sigaren, soms bij vijven en tienen; doch [168]meestal bij vijf en twintig en vijftig stuks worden verpakt. De grootste kisten met sigaren naar Engeland. In Amerika is men gesteld op hermetisch gesloten kisten, doch dit middel is niet voldoende om te beletten, dat dikwijls na zes maanden de sigaren door de larf van een zeker insect worden doorboord. Ze zijn in den regel prachtig versierd, in gekleurd papier met medaillons gewikkeld, en voorzien van het fabrieksmerk. Ook op den binnenkant van de deksels der doozen heeft de teekenaar zijn fantasie den vrijen loop gelaten. Die bontgekleurde prentjes leveren aan zes drukkerijen volop werk.

De vrouwen (despalilladoras de tripas) vormen de meerderheid onder het fabriekspersoneel der sigarenfabrieken. Zij verdienen 3.25 fr. per dag; de mannen (torcedores de capas) van tien tot vijf en twintig francs. De bekwaamste werklieden (escogidores) en de opzichters verdienen 136 pesos of 680 francs per maand.

Een huiselijk tafereeltje op het platteland.

Een huiselijk tafereeltje op het platteland.

De voornaamste sigarenfabrieken van Havanna zijn, in alphabethische orde genoemd, Aquila de Oro, Cabanas, Corona, Espanola, Flor de Naves, Gener, Imperial, Intimidad, Partagas, Prominente. Veertien fabrieken vormen het engelsche syndicaat Henry Clay, Bock en Co., die in vereeniging met andere syndicaten: Suarez Murias Co., L. Cabanas y Carvayal Co., Havana Commercial Co. de groote Havana Cigar Company hebben opgericht. Gecombineerd met de Habana Tabaco and Cigar Company is dit algemeene syndicaat een amerikaansche trust geworden, met een kapitaal van 50 millioen dollars of 260 millioen francs, waarbij nog gevoegd moeten worden de kapitalen van vijf andere amerikaansche trusts; n.l. 1. de Havana America of Tampa and Key West Comp., die twaalf fabrieken in Florida bezit, waar cubaansche tabak wordt verwerkt; 2. de American Tabaco Comp., die alle sigaren- en cigarettenfabrieken in de Vereenigde Staten vertegenwoordigt; 3. de United Stores Company, die het monopolie heeft van den détailverkoop van alle soorten van tabak in Amerika, 4. de Imperial Company, die de fabricatie en den verkoop der engelsche producten heeft gemonopoliseerd, en ten slotte een vijfde, nog in wording zijnde trust, die zich meer uitsluitend zal wijden aan den verkoop van duitsche sigaren en egyptische cigaretten. Allen met elkander vormen zij “The Consolidated Company of Tabaco, of New-York”, met een kapitaal van 280 millioen dollars.

Waar zulke machten aan het werk zijn, beantwoorden de uitkomsten aan de meest hoopvolle verwachtingen. In 1904 zijn 563 653 centenaars tabak uitgevoerd, een waarde vertegenwoordigend van 25 475 770 dollars.

Ornament.


				

				

				

				

				




				




				

Hellenica World - Scientific Library

Index